Ingezonden opinie

Hoofddoek past niet bij politie-uniform: agent moet zichtbaar neutraal zijn

15 september 2020

Tijdens een discussieavond over diversiteit bij de politie werd gepleit voor het toestaan van de hoofddoek voor politie-agenten. Ongetwijfeld goed bedoeld, maar een slecht idee, schrijft criminoloog Bart Collard. ‘Een politie die niet neutraal oogt – zelfs als zij dat wel is – verliest haar legitimiteit. Zichtbare diversiteit in levensstijl van agenten zal door burgers ervaren discriminatie door agenten alleen maar vergroten.’

‘Het is een kwestie van tijd’ tot de hoofddoek op het politie-uniform mag worden gedragen, aldus Liesbeth Huyzer, plaatsvervangend korpschef van de Nationale Politie, tijdens een ‘een publiek gesprek‘ over ‘diversiteit bij de politie’ in De Balie in Amsterdam. In dit ruim twee uur durende programma spraken de korpsleiding, eenheidsleidingen, agenten, het publiek en de moderatoren Martijn de Greve en Rokhaya Seck, met elkaar over allerlei diversiteitsthema’s zoals racisme, discriminatie en ‘een politie voor iedereen’. In de zaal waren ruim vijftig mensen aanwezig, waarvan slechts vijf niet-agenten. Het programma werd live uitgezonden op het internet.

Bart Collard (1988) is promovendus aan de Universiteit Leiden. Hij werkt aan een proefschrift over islamitisch terrorisme.

Ingezonden opinieartikelen worden geselecteerd door de redactie, maar vertegenwoordigen niet noodzakelijkerwijs het standpunt van Elsevier Weekblad.

Gedurende de avond worden stellingen op een scherm geprojecteerd. Via een app mag worden gestemd, ook door de kijker thuis. De eerste stelling luidt: “Het moet in de toekomst mogelijk zijn om als agent een hoofddoek te dragen.” De antwoordopties zijn ‘eens’ of ‘oneens’. Deze stelling is wat ongelukkig geformuleerd. Het betreft een verkorte quote van toenmalig korpschef Erik Akerboom uit 2019 in De Balie: ‘Ik sluit het ook niet uit, dat in de verre toekomst ook collega’s in hoofddoek in uniform kunnen lopen.’ Voor de moderatoren gaat het klaarblijkelijk ook om ‘agenten in uniform’, maar dat staat er niet. Voor de aanwezige agenten in de zaal is overigens duidelijk dat deze stelling over het uniform gaat: er werken immers al politiemedewerkers in burgerkleding met hoofddoek op. De vraag die direct rijst, is waarom de stelling specifiek over de hoofddoek gaat. Waarom niet ook over een zichtbaar kruis om de nek of een keppeltje op het hoofd? Of om een patch van de ‘black power vuist’ van Black Lives Matter?

Hoofddoek? Een positieve tendens

Tijdens het stemmen loopt de ‘eens-optie’ flink op. Op het moment dat 27 mensen voor zijn en 13 mensen tegen, vraagt Martijn de Greve aan Martin Sitalsing, eenheidschef van de politie Midden-Nederland, om dit toe te lichten: ‘U bent verrast blijkbaar?’ Sitalsing:

Lees ook dit commentaar van Arendo Joustra terug: Het is de functie die telt, niet de hoofddoek

‘Zeker. Omdat ik – ik denk dat als we dit vijf jaar geleden gedaan hadden of tien jaar geleden dat het, dat de stand echt andersom zou zijn. Hij loopt nog hè? Dus niet te vroeg juichen, maar eh… Zo te zien eh…’

De Greve vraagt of Sitalsing dit positief vindt: ‘Dat vind ik een positieve tendens, ja. Zeker.’

De hoofddoek is een kwestie van tijd

Vervolgens verwijst Martijn de Greve naar het interview van Erik Akerboom door Sarah Izat – een vrouwelijke politieagent die pleitte voor de hoofddoek op het uniform – op ditzelfde podium in 2019. De Greve vatte Akerbooms positie van destijds samen als ‘de temperatuur van de samenleving is niet zodanig dat we daar nu naar over kunnen gaan.’ Tegen Liesbeth Huyzer zegt De Greve: ‘We zijn een tijdje verder. [BC: anderhalf jaar] Is het moment daar?’ Huyzer antwoordt:

‘Ik wil er één ding wel bij zeggen, want de vraag die speelt gaat niet zo zeer eigenlijk over die hoofddoek. Het gaat eigenlijk over de neutraliteit die de politie wil uitstralen. En die is jarenlang, of eigenlijk van oudsher altijd verbonden geweest aan het uniform. Dus dat is de reden – het is zelfs ook gewoon neergelegd in regelgeving dat wij geen geloofsovertuigingen mogen dragen bij het uniform omdat wij uiteindelijk gewoon neutraal in die samenleving moeten staan. Dat is ook echt het gesprek wat aangegaan moet worden hè?’

Hier maakt Huyzer een aantal belangrijke opmerkingen. Ten eerste impliceert ze dat het niet slechts gaat om neutraal zijn, maar ook om neutraliteit uitstralen. Aan die tweede functie heeft het uniform altijd een belangrijke bijdrage geleverd. Ten tweede klopt het dat het uiterlijk van het politie-uniform en hoe het wordt gedragen in de wet is vastgelegd. Momenteel is de hoofddoek daarvan geen onderdeel.

Nu kan worden geredeneerd dat de hoofddoek geen onderdeel is van het uniform, maar een aanvulling erop. Maar ook dat is niet toegestaan. De politie kent een ‘gedragscode’ uit 2011 die uitgaat van een ‘lifestyle neutrale uitstraling’, en die religieuze uitingen verbiedt in combinatie met het politie-uniform. In december 2019 heeft de minister van Justitie en Veiligheid, Ferdinand Grapperhaus, aangegeven dat hij nog steeds achter deze gedragscode staat: ‘Een uitstraling van onpartijdigheid en objectiviteit van politieambtenaren is een voorwaarde voor de legitimiteit van de politie bij het uitoefenen van haar bijzondere overheidstaak.’

Huyzer vervolgt haar verhaal:

‘Nou is de vraag: moet nou de neutraliteit blijken uit dat uniform of gaat het niet veel meer over het gedrag wat je laat zien in de uiterlijke vormen? Dus is het niet veel meer aan waarden verbonden? Mijn persoonlijke opvatting is dat het veel meer aan waarden verbonden moet zijn. (…) Dit gesprek moet je hebben op het moment als het eenmaal verankerd is in je waarden. Dan kan je ook die uiterlijke verschijningsvorm, ook meer loslaten.’

Huyzer vraagt zich hier af of de politie het uniform wel nodig heeft om neutraal te zijn. Ik schrijf bewust ‘neutraal te zijn’ omdat zij met ‘blijken’ weg beweegt van het uitstralen van neutraliteit. Haar redenering lijkt hier te zijn: ‘als je neutraal bent, dan straal je dat uit in je gedrag.’ Desgevraagd geeft Huyzer aan hier een ‘actieve pro-rol’ in te willen spelen. Zij denkt, in lijn met Akerboom anderhalf jaar eerder, dat het ‘een kwestie van tijd is’ voor de hoofddoek op het politie-uniform mag worden gedragen. Daarbij zijn vraagtekens te zetten.

Een sociaal en legaal volstrekt correct politieoptreden kan namelijk nog steeds de uitstraling van partijdigheid of vooringenomenheid hebben. Een een uniform, en dus een zo neutraal mogelijke uitstraling, kan dan aanzienlijk helpen. Elke schijn van partijdigheid dient te worden voorkomen. Een interessante vraag is overigens deze: als de politie niet zichtbaar neutraal hoeft te zijn omdat ze al neutraal zou handelen, waarvoor dient het uniform dan nog? Herkenbaarheid lijkt dan het enige plausibele antwoord te zijn, maar in dat geval voldoet een hesje met het woord ‘politie’ erop ook. Betekent pleiten voor de hoofddoek ook het pleiten voor de afschaffing van het politie-uniform? Het lijkt erop.

Maximaal neutraliteit naar voren brengen

Moderator Martijn de Greve vraagt wie er in de zaal tegen de hoofddoek op het uniform is. Daarbij krijgt Peter Holla, van de eenheidsleiding van Amsterdam, als ‘oneens-stemmer’ het woord:

‘Ik vind ook die neutraliteit een heel belangrijk item omdat je ook eh – kijk ik zou het ook niet fijn vinden als een politieman op straat met een button van de PVV op gaat lopen. Dus ik heb echt zo dat ik zeg: trek één lijn. Probeer onafhankelijk in elk conflict te staan. En de hoofddoek kan ervaren worden als een uiting van je geloof.’

Moderator Rokhaya Seck vraagt of neutraliteit niet altijd een beetje schijn is, omdat je een man of vrouw voor je hebt staan, of een zwarte man of vrouw. ‘Dat is ook wel zo, maar je moet proberen, kijk, om in een conflict die neutraliteit maximaal naar voren te laten brengen.’ Holla maakt hier een belangrijk punt. In elke situatie volledige neutraliteit uitstralen, zal niet mogelijk zijn, maar je kunt je best doen om dat zo vaak en veel mogelijk te bereiken. Zoveel mogelijk letterlijke uniformiteit draagt daaraan bij.

Hellend vlak bij uitstraling van diversiteit

De politie is de handhaver van de wet en de openbare orde en daarmee onderdeel van de overheid. Vanuit haar bijzondere rol is de politie ons geweldsmonopolie toevertrouwd. Dat de politie neutraal moet zijn (objectief neutraliteitscriterium), vloeit rechtstreeks voort uit de Grondwet. Artikel 1 daarvan schrijft immers gelijke behandeling voor in gelijke gevallen. Dat de politie daarnaast tevens de schijn van neutraliteit hoog moet houden (subjectief neutraliteitscriterium) heeft te maken met haar legitimiteit. Een politie die niet neutraal oogt – zelfs als zij dat wel is – verliest haar legitimiteit. Burgers verliezen dan het vertrouwen in de politie, en daarmee in de staat. Dat kan leiden tot verloren gezag en in het ergste geval, via eigenrichting, tot anarchie.

Lees ook Afshin Ellian over dit onderwerp: Bied weerstand aan islamisering neutrale functies

Afwijken van uniformiteit is een hellend vlak. Vrijwel geen óf vrijwel alle zichtbare kenmerken van levensstijlen toestaan, lijken de enige reële opties te zijn. In tussenoplossingen wordt er namelijk gediscrimineerd – en dat is verboden volgens datzelfde artikel 1 van de Grondwet. Wie de hoofddoek toestaat, zal ook het keppeltje, de tulband, de Ajax-pet, de hanenkam, een volledig getatoeëerd of gepiercet hoofd, een zichtbare tattoo van motorclub No Surrender, de PVV-button of een armband van Farmers Defence Force (FDF) moeten toestaan.

Religieuze uitingen genieten geen voorrang ten opzichte van niet-religieuze uitingen, omdat vrijheid van godsdienst (artikel 6 Grondwet) niet prevaleert boven vrijheid van meningsuiting (artikel 7 Grondwet). Maar beeldt u zich in: de zichtbaar islamitische agent die een geschil tussen een jood en een moslim moet oplossen; de agent wiens hoofd voor 60 procent is getatoeëerd, die moet optreden bij een ruzie in een zeer religieuze familie; of de agent met FDF-armband die moet optreden bij een groep veganisten die een stal bezetten.

In al deze gevallen zou het kunnen dat de agent ondanks zijn of haar persoonlijke levensstijl professioneel en nagenoeg neutraal optreedt. Maar zal de burger in wiens nadeel wordt beslist door een agent met een tegengestelde levensstijl dat ook zo zien? Waarschijnlijk niet. Bij discussies omtrent etnisch profileren is dit precies wat er lijkt te gebeuren. Op basis van slechts het verschil in leeftijd, geslacht en huidskleur tussen de controlerende agent en de gecontroleerde, ervaart de gecontroleerde dat hij of zij wordt benadeeld op basis van zijn of haar afkomst of uiterlijk. Zichtbare diversiteit in levensstijl van agenten zal die door burgers ervaren discriminatie alleen maar vergroten.

De politie wil in verbinding staan met de burger, die de politie in haar werk legitimeert. Martin Sitalsing en Liesbeth Huyzer zitten er mijns inziens – waarschijnlijk vanuit de beste bedoelingen – echter flink naast wanneer zij daarom hun steun uitspreken voor de hoofddoek op het politie-uniform. Agenten moeten inderdaad, zoals Huyzer stelt, zo neutraal mogelijk zijn in hun handelen. Om haar legitimiteit te behouden, dient de politie echter ook zoveel mogelijk neutraliteit uit te stralen. Zichtbare levensstijlkeuzes kunnen daarbij een grote belemmering zijn. In het geval van religieuze uitingen is dat sterk het geval. De hoofddoek mag niet samengaan met het politie-uniform.

Ingelogde abonnees van EWmagazine kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.