Socialistisch Venezuela glijdt naar de rand van de afgrond

20 augustus 2015Leestijd: 5 minuten
'Frederico Parra'

Twee jaar na de dood van Hugo Chávez glijdt zijn land naar de afgrond. Zijn socialistische revolutie heeft dramatische economische en so­cia­le gevolgen. Aan alles is gebrek, overal staan rijen en altijd dreigt geweld.

Je rijdt achter de vrachtwagens aan, stapt uit waar ze stoppen en dan wacht je af wat eruitkomt.’ Anna Marchesano staat graag een uurtje eerder op om moeilijk te vinden boodschappen te scoren voordat ze naar haar werk rijdt. De veertigjarige verkoopster is juist gestrand bij supermarkt San Francisco in Caracas en ze is niet de enige. Sinds de aankomst van de vrachtwagen is de hele buurt in rep en roer. Er zou waspoeder of meel in de dozen zitten.

De deuren van de laadbak onttrekken de pallets aan het zicht, maar voor de ingang staan direct al tientallen mensen. Koffie, meel, melk, olie en wc-papier vormen de big five van de Venezolaanse schaarste. Ook vlees, suiker en zeep zijn soms lange tijd niet te koop.

De jacht op voedsel en zeep beheerst het leven van de Venezolaan. Overal zijn zoekende mensen. Zodra ze een paar uur vrij hebben, rijden ze lukraak door de stad, sluiten aan bij rijen, en appen buren en familie zodra ze melk of zeep hebben gevonden.

Misdaad

Het andere probleem boven aan de Venezolaanse lijst – de misdaad – bemoeilijkt de zoektochten. Caracas is een van de gewelddadigste steden ter wereld. ’s Avonds de straat opgaan, is spelen met je leven. Maar ook overdag kijken passanten voortdurend over hun schouder, bang om te worden overvallen of ontvoerd. Iedereen kent wel iemand die is gekidnapt of het slachtoffer werd van een roofoverval.

‘Ik doe niet eens meer zelf boodschappen,’ zegt jurist Lorena Cerruti (42). Sinds haar buurman door inbrekers in zijn eigen huis werd gekneveld en beroofd, sluit ze zich op in haar appartement in een luxe complex in het rijke oosten van Caracas. Ze verlaat het alleen om haar dochters naar school te brengen, altijd met de auto.

Vijftien jaar geleden zadelde de charismatische – inmiddels overleden – leider Hugo Chávez de dertig miljoen Venezolanen op met een revolutie en een staatsgeleide economie naar Cubaans voorbeeld. Een grondige schoonmaak van de Venezolaanse samenleving had een paradijs moeten opleveren zonder armoede en corruptie.

Eindelijk zou het volk de vruchten plukken van de lucratieve olie-export, het land van grootgrondbezitters gaan bewerken en in communes de eigen toekomst bepalen. Voedsel en andere eerste levensbehoeften kregen een maximumverkoopprijs.

‘De prijscontrole heeft averechts gewerkt,’ zegt meubelhandelaar Fernando López (51). Spullen die dankzij subsidies betaalbaar in de schappen zouden moeten liggen, worden gehamsterd en voor woekerprijzen doorverkocht. Zelf lijdt hij onder het strikte valutabeleid. López kan nauwelijks aan de dollars komen om zijn meubelen te importeren.

De prijs van de dollar schiet omhoog. De inflatie is zo hoog, zo merkte een journalist onlangs op, dat ‘een geldbiljet kopiëren duurder is dan het biljet zelf’. De economie draait op de munt van de ‘vijand’. Huizen en auto’s zijn alleen nog in dollars te koop.

Het centrum van Caracas ziet er vies en slecht onderhouden uit. Het Plaza Bolívar was jaren geleden het centrum van de strijd van het volk. Op de hoek van het plein werd gediscussieerd over de nieuwe tijd. Bewondering was er voor Hugo Chávez, maar respectvolle debatten waren het niet. Wie er anders over dacht, werd van het plein gejaagd. Nu is er helemaal geen discussie meer.

Zwarte wisselkoers

Ruim twee jaar na zijn dood is Chávez nog overal aanwezig: in filmpjes op televisie, in posters op straat, op T-shirts, en levensgroot geschilderd op blinde muren. Zijn opvolger Nicolás Maduro doet een tenenkrommende poging zijn legendarische voorganger te imiteren. Zelfs zijn stem is op die van Chávez gaan lijken.

‘Dit land heeft twee presidenten,’ zegt politicoloog Carlos Romero (61). ‘Een dode en een levende.’ De levende moffelt krampachtig alles weg wat de onleefbaarheid zichtbaar maakt. Berichtgeving over de zwarte wisselkoers is streng verboden.

Supermarkten moeten hun rijen binnen opstellen, zodat ze niet opvallen. Het grootste biljet – van 100 bolívar – is nog maar 15 eurocent waard, maar geen minister durft voor te stellen om biljetten met een hogere waarde in omloop te brengen. Misdaadcijfers worden al jaren niet meer gepubliceerd.

Een krantenverkoper bij de metro-ingang heeft zijn kranten opgestapeld op omgekeerde kratten, maar kritische titels heeft hij niet meer. Die zijn het zwijgen opgelegd. Slechts één krant durft nog te schrijven dat een gevangen oppositieleider in hongerstaking is, dat een hamburgerketen bij gebrek aan aardappelen is overgegaan op yuca (cassave), en dat er weer evenveel armen zijn als toen Chávez aan de macht kwam.

Op de televisie geeft een heetgebakerde Maduro de Amerikanen en de onder­ne­mers ‘met hun economische oorlog ­tegen de revolutie’ de schuld van de econo­mische ramp die Venezuela in slowmotion naar de afgrond leidt. Alle tv-zenders
worden gecontroleerd door de staat.

Maduro’s aanhang slikt de propaganda zonder mokken. ‘Als hier armoede is, waarom is ­Caracas dan één grote parkeerplaats?’ zegt Ismer Mota (51), ambtenaar bij het ­ministerie. ‘Kijk om je heen. Je ziet iedereen lopen met spullen. Tandpasta, wc-papier, er is helemaal geen schaarste.’

De Amerikanen bereiden volgens Maduro een invasie voor om hem te vermoorden en een einde te maken aan de revolutie. ‘Het eerste wat ze gaan bombarderen, is onze wijk,’ zegt Yoel Capriles (55) in alle ernst aan de keukentafel van zijn minuscule appartement. Hij is buurtleider in Catia, het type volkswijk waar de 24 procent van de bevolking woont die volgens peilingen nog gelooft in Chávez’ socialistische paradijs. ‘Ze weten dat hier de aanhang van de revolutie zit,’ vervolgt hij.

Drie keer per week krijgt Capriles militaire training, samen met andere alerte buren. Soldaten leren hen omgaan met wapens. Samen vormen ze het door Chávez opgerichte reservistenleger, dat de revolutie zal verdedigen als dat nodig is. ‘We moeten weten waar onze vijanden zitten.’ Capriles weet precies wie in de wijk op de oppositie stemt.

Barricades

In Altamira, een veel rijkere wijk, wandelen verliefde paartjes langs de bloemen, oudjes keuvelen op bankjes. Bij de trappen naar het metrostation hangt nog een vlag met de tekst: ‘Venezuela wordt wakker!’ Vorig jaar was dit plein nog het centrum van heftige protesten. Tienduizenden gingen de straat op voor verandering. Woedende studenten wierpen wekenlang brandende barricades op. Nu protesteert niemand meer.

Voor het Mariabeeld in het plantsoen houden jongeren de herinnering levend aan de slachtoffers van vorig jaar. In het gras staan de foto’s van de 43 jongens en meisjes die omkwamen bij de betogingen, waaraan de politie met geweld een einde maakte.

Bij supermarkt San Francisco is Anna Marchesano na een half uur wachten aan de beurt. Als ze tot haar schrik voor haar ogen de laatste zak waspoeder uit het schap ziet verdwijnen, houdt ze het voor gezien. ‘Ik ga niet nog een keer in de rij voor meel, en dan in de rij voor de kassa. Straks moet ik zeker ook nog in de rij om dit land te verlaten?’

Elsevier nummer 35, 29 augustus 2015