Optimistische techvisioenen waren in de jaren vijftig en zestig heel gewoon. Wat moet er veranderen om deze mentaliteit terug te krijgen bij overheid, kunsten en bedrijfsleven? Een pleidooi om instituten als TNO een actievere rol te geven.
Mijn moeder dacht als jonge vrouw oprecht dat ze later met vakantie naar de maan zou gaan. Het moment dat Neil Armstrong zijn voet op het maanoppervlak plaatste, werd een collectieve herinnering voor mensen wereldwijd, maar ook een gezamenlijk toekomstbeeld. Onze toekomst lag tussen de sterren.
Grote visies waren niet exclusief Amerikaans, al was het NASA-ruimtevaartprogramma dat wel. Nederland besloot een volledig nieuwe provincie te creëren: Flevoland. In Zeeland werd de zee afgesloten en kwamen de Deltawerken. Zo groot dat ze met het blote oog vanuit de ruimte zichtbaar zijn.
Simon van der Jagt

Simon van der Jagt (35) is CEO van zijn nieuwe bedrijf Liminal Labs. Bachelor industrial design engineering (2013), master strategic product design (2016) aan de TU Delft.
In 2016 oprichter, daarna CEO, van semiconductorbedrijf Nowi, dat in 2022 werd gekocht door Nexperia.
Zat tot eind 2025 in het managementteam van Nexperia, was general manager van de Energy Harvesting Business Group van dit bedrijf. Mentor bij Yes!Delft, broedplaats voor techstart-ups.
Overheid verliest belangstelling in vormgeven toekomst
Grote ambities vertaald naar concrete plannen. Een gedeeld toekomstbeeld waar Nederlanders watertandend naartoe leefden.
Een scherp contrast met vandaag. De overheid lijkt haar belangstelling voor de toekomst kwijt te zijn. Op het World Economic Forum in Davos (19-23 januari) vroegen journalisten gretig naar de visies van Elon Musk, Google AI-topman Demis Hassabis en Microsoft-CEO Satya Nadella.
De Britse minister-president Keir Starmer, onze toenmalige premier Dick Schoof en andere politieke leiders hoefden niet op zulke vragen te rekenen. Hun rol bij het vormgeven van de toekomst lijkt grotendeels uit beeld verdwenen.
Merkwaardig genoeg zijn de rollen geruisloos gewisseld in de afgelopen 25 jaar. Niet lang geleden was het de overheid die bedrijven aanspoorde om aan meer te denken dan alleen hun winst, en hun maatschappelijke invloed niet uit het oog te verliezen.
Wennink-rapport biedt inspiratie aan nieuwe kabinet
Evenmin lang geleden herinnerden bedrijven overheden steevast eraan dat geld eerst moet worden verdiend alvorens het te kunnen uitgeven.
Beide partijen hebben ogenschijnlijk erg goed geluisterd. Het recente rapport van oud-ASML-topman Peter Wennink is wat dat betreft veelzeggend getiteld: De route naar toekomstige welvaart. Inmiddels is de rol van de overheid teruggebracht tot die van penningmeester.
Het Wennink-rapport bood inspiratie aan het nieuwe kabinet, met overwegend zinnige plannen. Maar zonder kompas blijft navigeren lastig. Hogere productiviteit, een lager begrotingstekort: allemaal positief, maar geen toekomstvisie. Want dan gaat het om meer dan een huishoudboekje voor over vijf of tien jaar.
Van Jobs tot Musk: technologie-industrie creëert pad naar toekomstbeeld
De technologie-industrie kiest ervoor het radicaal anders te doen. Zij projecteert eerst een duizelingwekkend toekomstbeeld, maar wel met een concreet pad erheen. Dat pad bestaat uit producten en diensten die ze zelf ontwikkelt.
Apple-topman Steve Jobs deed dit aan het begin van de eeuw als een van de eersten, met de iconische marketingslogan ‘A thousand songs in your pocket’. Onvoorstelbaar in het tijdperk van cd’s en cassettes – maar toen verscheen in 2001 plots de eerste iPod.
Niet lang daarna predikten de techleiders in Silicon Valley de visie dat we altijd en overal verbonden moeten zijn met iedereen. Zo kregen we smartphones en sociale media.
Elon Musks toekomstbeelden overtreffen alle andere: plannen voor een kolonie op Mars, autonome mensachtige robots en zelfrijdende elektrische auto’s.
Tech-bedrijven nemen visionaire rol van overheid over
Techbedrijven zijn vaak transparant over de noodzaak van decennialange, gigantische investeringen om die visies te verwezenlijken, en stellen duidelijk dat ze pas daarna wellicht winstgevend worden. Anderzijds: bij succes zijn de winsten enorm.
Techbedrijven hebben dus de visionaire rol overgenomen die de overheid vroeger had. Die nieuwe rol werd nog eens versterkt door een tweede transitie die zich intussen voltrok.
Tientallen jaren was het vooral de culturele sector die kritisch stond tegenover de kerk. De sector ageerde tegen dogma’s, pleitte voor vrijheid en won deze strijd overtuigend. Tekenend is dat kerken inmiddels vaker dienen als podium voor culturele voorstellingen dan als gebedsplek.
Het dystopische verhaal van de culturele sector
Hun oorspronkelijke maatschappelijke functie ging grotendeels verloren. Maar intussen kreeg dat dogmatische denken de culturele sector zelf in zijn greep.
Soms voelt het – ironisch genoeg – kerkelijk aan. Het overheersende verhaal in de culturele sector is steeds vaker een dystopische wereld die vrijwel onbewoonbaar wordt door klimaatverandering en onderdrukking. Een hel op aarde.
Lees ook | Terwijl China bouwt aan humanoïde robots grijpt het westen naar importtarieven
Niets aan het moderne mensenleven is klimaatneutraal. We zijn daardoor zondig vanwege ons bestaan alleen al, en dragen bovendien nog de zonden van onze voorouders: de discriminerende en ongelijke wereld waarin we zijn opgegroeid.
Het is goed dat de culturele sector misstanden hekelt. Maar het wordt problematisch wanneer die sector geen tot de verbeelding sprekende nieuwe toekomstbeelden ertegenover stelt, en vervalt in veroordelend fatalisme.
Het wantrouwen tegen tech-bedrijven
Ook zit er een grote denkfout in dit fatalistische gedachtegoed. Het vereenzelvigt een antikapitalistisch sentiment met de technologie. Het culturele pessimisme draait in de kern vooral om wantrouwen tegenover de ogenschijnlijk niet te stoppen macht van grote bedrijven en hun invloed op de wereld. Maar dit is iets anders dan dat de technologie zelf inherent niet positief zou kunnen zijn.
Het pessimisme schikt zich zo naar het monopolie op de toekomst dat de technologiesector bezit. Het gevolg is dat de voornaamste stroming in de culturele sector steunt op een merkwaardige overtuiging.
Namelijk dat weliswaar, na duizenden jaren dromen, slechts enkele decennia ervoor nodig waren om vliegende vaartuigen te maken die talloze mensen tussen continenten vervoeren, maar dat dit ook in de toekomst alleen kan door CO2 uit te stoten.
Vooruitgang gaat haar enerzijds te snel, en zou anderzijds juist te machteloos zijn om fundamentele problemen op te lossen. Dat idee, van een plotseling en arbitrair technologisch plafond, is ridicuul en uiteindelijk ook contraproductief.
Het zou de creatieve sector beter passen als die weer zijn oude plek inneemt als bron van avantgardistische ideeën. Met concepten van originele werelden waarin het wél goed gaat en die maatschappij en industrie inspireren om daarnaartoe te werken.
Optimisme over innovatie en tech in de vorige eeuw
Juist hierin zit het contrast met de jaren vijftig en zestig. Er was angst voor een kernoorlog, maar evengoed hoop. Hoop hoe technologie een utopische wereld kon scheppen, mits oorlog werd vermeden. Denk aan monorails, kleurentelevisie, vliegende auto’s, oneindige nucleaire energie, ruimtevaart, een driedaagse werkweek en computers.
De tv-animatieserie The Jetsons liet vanaf 1962 zien hoe een gewoon gezin zou leven in die utopische toekomst. Iets serieuzer was het boek The Year 2000 van Herman Kahn, die met nuchter optimisme schreef over technologische controle, economische groei en demografische veranderingen.
Maar ook de Wereldtentoonstelling Expo 58 in Brussel, die de wereld van morgen alvast bouwde en nog dichterbij bracht in de gemeenschappelijke belevingswereld. Iedereen genoot van de fantasierijke beelden van hoe het leven in de wereld van morgen zou zijn. Die gaven hoop en iets waarnaar we gezamenlijk konden streven.
Het huidige samenspel van een pessimistische culturele sector en een louter operationele overheid liet een gat achter als het gaat om visie. De technologie-industrie vulde dat op.
Deels is dit positief, want gelukkig wordt er nog ergens nagedacht over de toekomst. Maar tegelijk is duidelijk: wat de techindustrie ‘beter’ vindt, is geen afspiegeling van wat de hele samenleving wenst.
Het democratische element in kapitalisme
De elektrische auto’s van Elon Musk brachten een breed gedragen maatschappelijke verandering teweeg. Maar hij bouwt ook aan Neuralink, een bedrijf dat via duizenden elektrodes in de hersenen mens en AI wil laten versmelten. Misschien pakt dit positief uit, maar veel mensen bezien dit vermoedelijk niet met enthousiasme.
Ook kiest het kapitalisme niet direct voor het oplossen van de belangrijkste problemen – het kiest voor de meest lucratieve problemen. Soms overlappen de twee. Maar vaak ook niet, als je kijkt naar de investeringen in bijvoorbeeld VR-brillen en opvouwbare mobiele telefoons.
Lees ook | Tunnels en telepathie: de minder bekende bedrijven van Elon Musk
Toch zit ook in kapitalisme een democratisch element: we stemmen door waar we onze euro’s wel en niet aan uitgeven. Ruilen meer mensen hun euro’s voor een product of dienst, dan komen er daar meer van. Doen ze dat niet, dan verdwijnt het vanzelf. Je hoeft dus niet Neuralinks hersenimplantaten te kopen.
Maar wat we willen, wordt al in een eerder stadium bepaald. Waarom verlangen we wat we verlangen? Dat begint bij ons beeld van de toekomst. En die toekomst is niet enkel het product van een economische marktplaats.
De drijvende krachten achter het maanvluchtprogramma
Er is absoluut een grote rol voor technologiebedrijven in het maken van de wereld van morgen. Maar welke vorm die wereld krijgt, dus wat we willen dat er wordt gemaakt, is de uitkomst van een samenspel van industrie, democratie en de culturele sector.
De overheid kan zichzelf veel sterker verweven met de toekomst. We missen een rol zoals de Amerikaanse RAND Corporation die speelde in de jaren zestig. Dit was een onafhankelijk, publiek gefinancierde denktank en een van de drijvende krachten achter het Apollo-maanvluchtenprogramma.
Het presenteerde inspirerende en goed onderbouwde, brede gemeenschappelijke toekomstvisies over onder meer energie en mobiliteit. Vanuit technologische vooruitgang ontwikkelde het instituut verschillende maatschappelijke scenario’s, inclusief de beleidskeuzes waar die scenario’s om vragen.
Dit is voeding voor de culturele sector om te verbeelden, voor ondernemers om plannen te bedenken en voor de democratie om te sturen. De wisselwerking tussen al deze groepen creëert uiteindelijk de toekomst.
Hoe meer zulke toekomstbeelden verankerd raken in collectieve dromen, hoe aantrekkelijker het voor ondernemers wordt om via innovatieve producten en diensten te proberen ze uit te laten komen. Ondernemers maken immers zelf ook deel uit van de maatschappij.
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) zou in Nederland een grotere rol hierbij kunnen spelen. Het vereist dat de WRR zich meer toelegt op technologisch vooruitdenken, zoals de RAND-denktank dat deed.
De sleutelrol van TNO
Daarnaast zou TNO zich ambitieuzer kunnen betonen. Dat is, als grotendeels publiek gefinancierd onderzoeksinstituut, bij uitstek geschikt om grotere ontwikkelingen op de langere termijn aan te zwengelen.
Het is geen toeval dat TNO nauw verbonden was bij de ontwikkeling van de Deltawerken en de creatie van Flevoland. Zulke instituten kunnen onderzoek uitvoeren dat voor bedrijven nog te veel buiten bereik van de markt ligt.
Daarnaast kunnen ze consortia vormen om gezamenlijk grotere doelen te bereiken. Het helaas opgedoekte Nationaal Groeifonds werkte bijvoorbeeld aan een ‘kunstmatige nier’, een levensveranderende innovatie voor mensen wier leven wordt bepaald door wekelijkse dialyse in een ziekenhuis.
TNO is dan een van de drijvende krachten die verschillende bedrijven bijeenbrengt en, in combinatie met zijn eigen onderzoek, vooruitgang boekt op weg naar een grote innovatie. Het is helaas een uitzondering op de regel, want nu is TNO vooral een vervolgwerkplek voor academici, die daar meewerken aan commerciële projecten.
Dit omdat de overheid TNO slechts gedeeltelijk financiert en het instituut de rest op de markt moet verdienen.
Overheid moet toekomst serieuzer nemen
Dat is zonde. Er wordt veel meer mogelijk als TNO wordt ingezet als dynamo voor de toekomst, met een bijbehorend budget vanuit het ministerie van Economische Zaken. Dat vergt een overheid die de toekomst serieuzer neemt. Die het belang inziet van vooruitdenken, niet alleen van achteraf reguleren.
Het door het nieuwe kabinet geplande Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie past daar goed bij. Gedurfde investeringen, met een horizon die de kabinetstermijn overstijgt. Zulke instituten helpen. Maar uiteindelijk valt of staat het allemaal met de rol die de overheid zichzelf toebedeelt.
Lees ook | De quantumcomputer: deze fysicus durft opnieuw te spreken over een aanstaande ‘doorbraak’
Paradoxaal is dat we zowel kritischer als positiever moeten zijn over de technologiesector. Kritischer op zijn monopolie op de toekomst, maar positiever over zijn vermogen om deze te bouwen. De overheid daarentegen toont vooral onverschilligheid tegenover de toekomst, en richt zich voornamelijk op reguleren en sluitende begrotingen opstellen.
De puzzelstukken voor een betere toekomst liggen al klaar. Maar de oplossing begint bij de maatschappij.
Dromen van morgen
Wij allen mogen meer eisen. We mogen eisen dat de culturele sector afstand neemt van fatalisme en weer gaat dromen. En we mogen eisen dat de overheid weer gaat vooruitdenken en sturen, en niet alleen maar reguleert wat al is gebeurd.
Een levendige democratie debatteert over de gewenste toekomst. Slechts dan ontstaat ruimte voor zo’n toekomst. Dan durven we te werken aan visies die net zo ambitieus zijn als de Deltawerken.
Als wij het steeds vaker oneens zijn over het verleden en moeite hebben elkaar te begrijpen in het heden, is het des te belangrijker om wél samen te dromen over morgen.
