Leo Kwarten

Geruisloos juichen om de bevrijding van Koeweit

01 december 2020

In stilte moest Ghanem Al-Najjar destijds juichen om de bevrijding van zijn Koeweit nadat de Irakezen er waren verdreven. Toch sprong hij later juist voor hen in de bres. Leo Kwarten over Al-Najjar, autoriteit op het gebied van mensenrechten.

Leo Kwarten

Leo Kwarten is arabist en antropoloog. Als zelfstandig gevestigd adviseur werkt hij voor bedrijven die opereren in het Midden-Oosten. Daarnaast publiceert hij over politiek en religie in de regio.

Koeweit, februari 1991. De inwoners van het kleine Golfstaatje zuchten onder de bezetting door buurland Irak. Sinds een half jaar voert de veiligheidsdienst van Saddam Hussein er een waar schrikbewind. Elke opposant – en dat ben je al snel – wordt afgevoerd naar een foltercentrum of verdwijnt. Overal zijn sporen van plundering en brandstichting. Vaak zijn die het werk van hebberige familieleden van Saddam die hun vrachtwagens de grens over sturen in een all-you-can-grab-orgie. Ze nemen het er nog even van, want aan de Zuidgrens maakt een enorm invasieleger onder leiding van de Verenigde Staten zich op om Koeweit te ontzetten.

Op verkeerd moment de verkeerde straat in

Op een kille ochtend rijdt Ghanem Al-Najjar op zijn fiets op het verkeerde moment de verkeerde straat in. Hij is van plan langs te gaan bij een Sudanese vriend maar loopt regelrecht in een fuik van het Iraakse leger. ‘Koeweiti of niet-Koeweiti?’ schreeuwen de soldaten. Ghanem is Koeweiti, en daarom wordt hij hardhandig afgevoerd naar een nabijgelegen jeugdcentrum dat tijdelijk dienstdoet als gevangenis. Het is er bomvol: 1.280 willekeurig opgepakte en doodsbange mannen in de leeftijd van vijftien tot 45 jaar wachten op transport naar Irak. Ze zullen worden ingezet als menselijk schild bij Saddams militaire installaties.

Het is een kantelmoment in het leven van Ghanem, nu een buikige zestiger met kort, grijs krulhaar. Ik ontmoet hem in zijn villa in Jabriya, een buitenwijk van Koeweit-Stad. Hij houdt duidelijk niet van opsmuk. Geen gouden Louis XV-stoeltjes, zoals je vaak ziet in Arabische salons, maar IKEA-meuk. Terwijl een geestelijk gehandicapte huisgenoot thee serveert – Ghanem lijkt ook geen man van bedienden – dringt van buiten het geluid door van krijsende motoren en de geur van verbrand rubber. Het is een stel Koeweitse pubers die ik op weg hierheen ontmoette. Ze vermaken zich met de SUV van hun pa. Dat is ‘vet’ in Koeweit.

Leren hoe het is om onterecht gevangen te zitten

‘Ik probeerde om niet op te vallen,’ zegt Ghanem. ‘Maar dat lukte niet. Er waren Koeweiti’s die me kenden. Ze zetten me onder druk en zeiden: “Jij moet met die Irakezen gaan praten. Jij kunt dat.”’ En dus kon hij niet anders dan namens de groep onderhandelen over zaken die er op zo’n moment toe doen: voedsel, medicijnen, wc-bezoek. ‘Achteraf gezien heeft mijn tijd in de gevangenis me iets heel goeds gebracht,’ vervolgt hij. ‘Mijn hele leven heb ik gewijd aan het helpen van gevangenen die onterecht vastzitten. En hier zat ik dan zelf, te léren. Te léren hoe het is om onterecht gevangen te zitten.’

Na de oorlog zou Ghanem Al-Najjar internationaal uitgroeien tot een autoriteit op het gebied van de mensenrechten. Van 2001 tot 2009 was hij rapporteur mensenrechten voor de verenigde Naties in Somalië. Hij onderhandelde met dictators en militiebazen over de vrijlating van gevangenen en gijzelaars. Hij gaf college over zijn kennis en ervaring aan 43 universiteiten overal ter wereld.

Maar dat is allemaal nog ver weg als Ghanem in februari 1991 wordt afgevoerd naar Basra, zo’n 100 kilometer verderop. Ik vraag hem hoe de Koeweiti’s onderweg werden behandeld. ‘Heel slecht,’ zegt hij zonder uit te weiden.

In Basra lukt het Ghanem om een goede relatie op te bouwen met de Iraakse gevangeniscommandant. Het lukt hem ook om van een cipier een radiootje te kopen. En zo hoort hij op 26 februari 1991 dat Koeweit is bevrijd door de internationale alliantie. ‘Dat was een moeilijk moment,’ zegt Ghanem. ‘Ik moest de anderen het goede nieuws vertellen, maar niemand mocht juichen. Als de Irakezen dat zouden horen, zouden ze ons misschien doodschieten. Dus kroop ik van man tot man en fluisterde: ‘Koeweit is bevrijd. Juich, wees blij, maar houd je gedeisd.’ Even later juichten en huilden honderden Koeweiti’s, geruisloos.

Irakezen zijn ook mensen

Twaalf jaar later, in maart 2003, is Ghanem zijn koffers aan het pakken. Hij is uitgenodigd door de Amerikaanse Harvard-universiteit voor een sabbatical van een jaar. Het is een welkome afwisseling van zijn drukke werk als VN-rapporteur in Somalië. Dan komt het nieuws: de Amerikaanse invasie in Irak is begonnen. Saddam wordt verdreven, maar de prijs is hoog. Er zijn duizenden doden, de infrastructuur is vernietigd, er breekt sektarisch geweld uit, en in Irak heersen honger, angst en misère. Ghanem belt direct naar Amerika. ‘Ik cancelde Harvard. Ik zei dat ik van meer nut kon zijn in Irak’. Hij stapt in de auto naar Bagdad.

Ik zeg tegen Ghanem dat ik daar niets van begrijp: je wordt gegijzeld door de Irakezen, ze vernederen je, en dan ga je later naar Irak om ze te helpen. Ghanem begint te lachen: ‘Nou, zo zit ik dus in elkaar. Ik vind dat de Irakezen niet verantwoordelijk zijn voor de ellende die Saddam in Koeweit heeft aangericht. Irakezen zijn mensen, en dus moet je ze als mensen behandelen.’

‘Dat klinkt haast christelijk,’ zeg ik. ‘Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen (Lucas 23:34).’

Hij kijkt me meewarig aan: ‘Christelijk, moslim, ach wat. Over zoiets hoef je toch niet na te denken?’

Ingelogde abonnees van EWmagazine kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.