Beleggen in defensieaandelen is populair, maar risicovol. De aandelen van westerse defensiebedrijven worden verhandeld tegen ongeveer 35 keer hun verwachte winst.
Financiële markten tonen hun meest macabere kant in oorlogstijd. Zodra ergens ter wereld een raket wordt afgevuurd, beginnen ze niet alleen de verliezen te berekenen, maar ook de winstkansen. Zelfs aanhangers van het kapitalisme vinden dat weerzinwekkend. Dat gebeurt opnieuw tijdens de Amerikaans-Israëlische oorlog tegen Iran.
Naast energiebedrijven die profiteren van stijgende olie- en gasprijzen, zijn wapenfabrikanten de voor de hand liggende winnaars. Op 2 maart stegen de Amerikaanse defensieaandelen met 3 procent.
In Europa hielden bedrijven als BAE Systems en Hensoldt stand tijdens een bredere beursdaling. In de rijke wereld zijn de aandelen van wapenfabrikanten de afgelopen twaalf maanden met 52 procent gestegen.
Sommige bedrijven hebben het nog veel beter gedaan: het Zuid-Koreaanse Hanwha Aerospace en Kraken Robotics, een Canadese fabrikant van sonar, zagen hun marktwaarde sinds begin 2024 meer dan vertienvoudigen. In durfkapitaal lijkt defensie net zo populair als kunstmatige intelligentie (AI).
Defensie-aandelen: nog nooit zo duur
Nu gewapende conflicten zich uitbreiden, is het niet verrassend dat beleggers zich op wapenleveranciers storten. Toch brengt dat risico’s met zich mee. Defensieaandelen zijn nu het duurst in de moderne geschiedenis.
De aandelen van westerse defensiebedrijven worden verhandeld tegen ongeveer 35 keer hun verwachte winst, niet ver verwijderd van Nvidia, waarvan de verkoop van de populaire AI-chips met 75 procent per jaar groeit. Dat is alleen logisch als de oorlogsdreiging aanhoudt, maar niet zo groot dat regeringen het vermogen van bedrijven om winst te genereren beperken.
Komt er een wapenkoophausse?
Geconfronteerd met het vooruitzicht dat Amerika zich terugtrekt uit zijn allianties, hebben de leden van de NAVO allemaal beloofd hun defensie-uitgaven te verhogen tot 3,5 procent van hun bruto binnenlands product.
Dat zou kunnen leiden tot een ware wapenkoophausse. Maar dat hoeft niet zo te zijn, zeker niet als de situatie in de wereld kalmeert. Als de militaire uitgaven botsen met pensioenen, gezondheidszorg en andere populaire uitgaven, kunnen politici uiteindelijk kiezen voor boter in plaats van wapens (volgens het guns versus butter model gaan juist levensmiddelen vaak ten koste van defensie-uitgaven).
Brug Sicilië als militaire investering
Als regeringen de geldkraan openzetten, zullen veel landen hun defensie-uitgaven niet alleen, of zelfs niet hoofdzakelijk besteden aan de aanschaf van meer straaljagers, tanks en raketten.
Een deel van de verhoging zal niet naar materieel gaan, maar naar militaire pensioenen. Een ander deel zal worden geïnvesteerd in zaken die alleen op het eerste gezicht met defensie te maken hebben.
De Italiaanse regering hoopte een brug tussen Sicilië en het vasteland te classificeren als een cruciaal militair bezit, maar kwam daarop terug na een gesprek met de Amerikaanse ambassadeur.
Wapenfabrikanten in crises doelwit van maatregelen
Een nog grotere bedreiging voor investeerders dan het vooruitzicht dat stijgende defensiebudgetten illusoir blijken te zijn, is dat regeringen het bloedserieus nemen. Wapenfabrikanten leveren bijna uitsluitend aan staten. Daardoor worden ze in tijden van crisis het doelwit van dwangmaatregelen of zelfs onteigening. En dat vinden beleggers natuurlijk onaangenaam.

Lees ook: Met deze vier ETF’s belegt u in defensie
Tijdens de twee wereldoorlogen haalde de Britse regering de winsten van wapenproducenten binnen met hoge windfall taxes. Nadat de Verenigde Staten in 1942 volledig betrokken raakten bij de Tweede Wereldoorlog, ‘heronderhandelde’ de regering herhaaldelijk de prijzen die eerder in contracten met wapenbedrijven waren overeengekomen – altijd naar beneden en met grote bedragen.
Ze deden hetzelfde tijdens de Koreaanse oorlog en gingen hiermee door tot eind jaren zeventig, toen ze de Koude Oorlog tegen de Sovjet-Unie voerden.
Winstbelasting op defensiebedrijven?
Volgens Stephen Ciccone en Fred Kaen van de Universiteit van New Hampshire deden de aandelen van Amerikaanse vliegtuigfabrikanten het bijvoorbeeld goed van 1938 tot de aanval op Pearl Harbour in december 1941. Maar vanaf dat moment tot het einde van de oorlog in 1945 leverde een brede portefeuille van Amerikaanse aandelen een hoger rendement op.
Nu wapenfabrikanten weer winstgevend worden, overwegen politici om ze aan te pakken. In januari vaardigde president Donald Trump een uitvoerend besluit uit dat grote Amerikaanse defensiecontractanten verbood aandelen terug te kopen of dividenden uit te keren.
Hij opperde ook dat het jaarsalaris van hun bazen beperkt moest worden tot 4,3 miljoen euro, een kwart van wat een gemiddelde directeur in 2024 verdiende. Het besluit en de opmerking hebben geen wettelijke kracht, maar geven een duidelijk signaal af.
Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan en in het hele politieke spectrum pleiten de Groenen in het Europees Parlement voor een extra winstbelasting op winstgevende defensiebedrijven om de overheidsuitgaven terug te verdienen.
Goudlokjescenario
Tussen de oorlog in Oekraïne, die nu al meer dan vier jaar duurt, de oorlog die momenteel woedt in het Midden-Oosten en een andere oorlog die zou kunnen uitbreken als China besluit Taiwan binnen te vallen, staan wapenfabrikanten meer dan ooit tevoren in de schijnwerpers.
Ze behoren tot de grootste winnaars in een gevaarlijkere, instabiele wereld. Maar hun voortdurende succes is afhankelijk van een goudlokjescenario met precies genoeg conflicten, maar niet te veel. Anders zouden hun investeerders het rendement wel eens mager kunnen vinden.
