Schrijver Cees Noteboom (92) overleed woensdag 11 februari. Eerder schreef Arendo Joustra, toenmalig hoofdredacteur van EW, onderstaande tekst over Notebooms band met EW (toen: Elsevier). Een verhaal over ambitie, liefde en een beslissende ontmoeting.
Cees Nooteboom was 23 jaar oud toen hij in 1957 bij Elsevier aanklopte met de vraag of de redactie wellicht belangstelling had voor een paar verhalen uit ‘de West’. Hij had het plan opgevat naar Suriname en de Antillen te reizen en wilde met het schrijven van reportages voor het weekblad zijn avontuur bekostigen.
Het was geen uniek voorstel. Toen en nu worden hoofdredacteuren belaagd door jongeren die denken dat kranten en tijdschriften in de rij staan om hun reisverslagen te publiceren en daarvoor nog betalen ook.
Het reisplan van Nooteboom had een curieuze achtergrond. Hij was verliefd geworden op Fanny Lichtveld, de dochter van de directeur van de Surinaamse Scheepvaart Maatschappij Frans Lichtveld en het nichtje van Lou Lichtveld, beter bekend onder zijn schrijversnaam Albert Helman.
Het jonge stel had besloten te gaan trouwen en in Suriname wilde Nooteboom de heer Lichtveld de hand van zijn dochter vragen, zoals het hoorde in die dagen.
De overtocht naar Suriname
De overtocht naar Suriname had Nooteboom al weten te bekostigen door aan te monsteren op de Gran Rio, een coaster van 990 brutoregisterton die Fanny’s vader had laten bouwen bij Bijkers Aannemingsbedrijf IJsselwerf in Gorinchem.
De maiden voyage van het schip zou beginnen in Amsterdam en via Trinidad en Brits-Guyana naar Paramaribo leiden. De kranten uit die tijd meldden als vertrekdatum van de Gran Rio, genoemd naar een rivier in Suriname, 14 juni 1957. Nooteboom mocht mee als passagier, maar hij mocht ook werken.
‘Dat laatste zou een Amerikaan doen,’ had Fanny’s vader hem geschreven en dus had Nooteboom weinig keus.
Van Het Parool naar Elsevier
Zijn gage bedroeg slechts 459 gulden en Nooteboom kon dus wel wat extra geld gebruiken. Vandaar dat hij probeerde een paar reportages te slijten. Voordat hij Elsevier zijn diensten aanbood, had de jonge auteur, die in 1955 al de roman Philip en de anderen had gepubliceerd, Het Parool proberen te interesseren.
Die krant had in november 1956 zijn reportage ‘Moord met voorbedachten rade’ over de Hongaarse opstand afgedrukt. Maar de destijds toonaangevende avondkrant had geen belangstelling voor zijn ‘tropische plannen’.
En zo belandde Nooteboom, mogelijk op voorspraak van de aan Elsevier verbonden schrijver Godfried Bomans, begin 1957 op de kamer van W.G.N. (‘Wouter’) de Keizer, hoofdredacteur van Elseviers Weekblad.
Nooteboom: ‘Ik was een streepje in die dagen’
Nooteboom vertelt: ‘Ik was een streepje in die dagen, ook zeer geïntimideerd door het grote kantoor en de houding van W.G.N. de Keizer, die overigens zeer hartelijk was, maar wel imposant. Ze hadden me ingefluisterd dat hij ooit een rivaal van de trap had geworpen.’
Enigszins bedeesd nam Nooteboom plaats aan de andere kant van het grote bureau van De Keizer, die bij binnenkomst van Nooteboom gewoon was doorgegaan met zijn telefoongesprek. ‘Ja Eppo.’ Stilte. ‘Nee Eppo.’ En toen, met zijn hand over de hoorn, tegen Nooteboom: ‘Dit is Eppo Doeve, aan boord van Harer Majesteits kruiser De Zeven Provinciën in de Noordelijke IJszee.’
Terwijl Wouter de Keizer zijn telefoongesprek voortzette, krabbelde hij met zijn vrije hand wat op een blaadje, dat hij vervolgens over zijn bureau heen aan Nooteboom overhandigde.
Een gigantisch bedrag
Er stond slechts een getal op: 2.000. Dat was het bedrag dat Elsevier Nooteboom zou betalen voor de reiskosten, begreep de jonge auteur. Het (royale) honorarium voor de artikelen kwam daar nog bij.
Met de overhandiging van het blaadje was het onderhoud ten einde. De Keizer vervolgde zijn telefoongesprek met de tekenaar en illustrator Eppo Doeve. Hij en Nooteboom hadden nauwelijks meer dan een paar zinnen met elkaar gewisseld.
Tweeduizend gulden was een gigantisch bedrag in die dagen. Nooteboom: ‘Met dat geld redde ik het maandenlang in Suriname, Frans-Guyana, Curaçao en Amerika. Vanuit Miami vertrok ik met de Greyhound-bus naar New York.’
Nooteboom: ‘Die eerste reizen, die eerste keer in de tropen en in de derde wereld zijn een belangrijke leerschool voor me geweest. Dat eerste bezoek aan W.G.N. de Keizer was dus voor mij wat de Duitsers een Sternstunde noemen. Met reizen en daarover schrijven ben ik nooit meer opgehouden.’
Elseviers Gouden Knapenkoor
Nooteboom weet meer dan een halve eeuw later nog steeds dat fotograaf Joop Colson, bewoner van Kasteel Groeneveld in Baarn, na zijn bezoek aan De Keizer bij Elsevier tegen hem zei: ‘Zo, ben jij nu ook lid geworden van Elseviers Gouden Knapenkoor.’
Dat was destijds de benaming voor de aan Elsevier verbonden groep gevierde schrijvers als Piet Bakker, Anton van Duinkerken, Eduard Elias, J.W.F. Werumeus Buning, Michel van der Plas en Godfried Bomans.
Na Nooteboom volgden andere jonge auteurs als Gerard Kornelis van het Reve, die zijn eerste stuk in Elsevier op 14 maart 1959 gepubliceerd zag, Willem Frederik Hermans en Harry Mulisch. Remco Campert was Nooteboom als voorgegaan. Zijn eerste stuk, ‘Een olifant in de achterkamer’, verscheen op 18 augustus 1951 in Elseviers Weekblad.
Aankomst in Paramaribo
Eenmaal met de Gran Rio aangekomen in Paramaribo, klikte het goed tussen Nooteboom en Fanny’s vader. Nooteboom vertelt: ‘Na een maand waarin ik voortdurend met hem was opgetrokken, zei hij: “Je bent een vriend voor het leven, maar met mijn dochter moet je maar niet trouwen.”
‘Dat hebben we toen toch gedaan in New York, zonder zijn toestemming, in de Broadway Presbyterian Church in Morningside Heights bij Harlem, in de herfst van 1957. Hij had het beter gezien dan wij, want we zijn later gescheiden, maar nog steeds in contact en goede vrienden. Zij woont nu in Edinburgh.’
Surinaamse onafhankelijkheid
Later, net voor de coup van Desi Bouterse in 1980, is Nooteboom nog een keer teruggekeerd naar Suriname, dat in 1975 onafhankelijk was geworden. Nooteboom: ‘Fanny’s oom Lou Lichtveld had met een delegatie uit het Surinaamse parlement premier Joop den Uyl nog gesmeekt het land nog niet onafhankelijk te maken vanwege de ellende die hij helderziend zag aankomen.
‘Maar het mocht niet baten, Nederland wilde onder een socialistische regering niet meer als koloniale mogendheid in de vergaderingen van de Verenigde Naties verschijnen.’
Nooteboom: ‘Na de onafhankelijkheid koos mijn schoonvader voor de Surinaamse nationaliteit. Maar toen hij na de staatsgreep van Bouterse alles kwijt was en naar Nederland wilde komen, mocht dat niet. Hij vertelde me: “Ik ben Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, maar als ik zeg ‘In Naam van Oranje, doe open de Poort’ blijft die potdicht.”
‘Gelukkig is het me met hulp van Hans van Mierlo toen toch nog gelukt hem naar Nederland te halen, waar hij uiteindelijk ook is overleden.’
Het einde van de Gran Rio
Het ‘kleine vrachtschip’ de Gran Rio, dat zich dankzij Nooteboom wist te nestelen in de Nederlandse literatuur, haalde in 1962 de wereldpers. Op 3 mei van dat jaar pikt de bemanning van het schip dertien overlevenden op uit de Golf van Mexico. Het zijn de opvarenden van het 25 meter lange Amerikaanse zeilschip Albatross.
Het in 1920 in Amsterdam gebouwde jacht deed dienst als schoolschip en was volgens een verslag in het communistische dagblad De Waarheid ‘in een minuut tijds’ gezonken, 290 kilometer ten westen van Key West.
Tot de overlevenden behoorden niet de vrouw van de kapitein, de kok en vier tieners, die met het schip de diepte werden ingesleurd en verdronken. De tweemaster was in een korte, hevige tropische storm terechtgekomen, een zogeheten squall, en omgeslagen.
Later is de ramp verfilmd onder de titel White Squall (1996), met in de hoofdrol Jeff Bridges als kapitein Christopher Sheldon, en beschreven in het boek White Squall: The Last Voyage of Albatross (2001) van Richard E. Langford.
Het einde van de Gran Rio zelf was evenmin glorieus. Het vrachtschip is op 12 april 2000 gezonken voor de kust van Tobago, waarbij, voor zover bekend, acht bemanningsleden zijn omgekomen.
Overstap naar de Volkskrant
Cees Nooteboom zou tussen 1957 en 1960 en tussen 1986 en 2007 vele reportages, reisverhalen en beschouwingen voor Elsevier schrijven, die in twee bundels zijn gepubliceerd: Op reis, deel 1 en Op reis, deel 2.
Vanwaar het gat van een kwarteeuw tussen 1960 en 1986?
In 1960 was Nooteboom vrij plots van het weekblad overgestapt naar de Volkskrant. Ruim vijftig jaar later kan hij zich niet meer goed herinneren waarom. Nooteboom: ‘Jeugdige onrust? Een directiewisseling bij het blad? Boze brieven van rechtse lezers? Daar zijn wel exemplaren van, maar ook weer niet veel.’
In elk geval haalde Joop Lücker, hoofdredacteur van de Volkskrant, Nooteboom in 1960 over om voortaan voor het rooms-katholieke ochtendblad te schrijven.
‘Dat heeft een grote verandering voor mij betekend,’ aldus Nooteboom. Zijn eerste bijdrage verscheen in de Volkskrant van woensdag 4 januari 1961. Het was volgens Françoise Opsomer, die in 1983 een bibliografie van het werk van Nooteboom samenstelde, een ‘cynisch stukje’ over de onderhandelingen in Genève over de atoombom.
Nooteboom fantaseert daarin dat hij zelf naar Genève gaat, want de ‘consumenten’ van de bom, de gewone bevolking dus, zijn als partij niet bij de onderhandelingen betrokken.
‘Waarom huilt U, meneer D.?’
Nooteboom zou tot 1968 aan de Volkskrant verbonden blijven, maar op zaterdag 19 januari 1963, twee jaar na zijn vertrek bij het weekblad, verschijnt er zowaar een bijdrage van Nooteboom in Elsevier.
Het betreft een stuk, getiteld ‘Waarom huilt U, meneer D.?’, dat eerder in de Volkskrant was verschenen, zo blijkt uit het ironisch bedoelde naschrift: ‘Bovenstaande inktvlek verscheen dezer dagen in de (RK) Volkskrant. Wij plaatsen haar in haar geheel en volstaan gaarne (voor één keer in de verrukkelijke stijl van de heer Cees Nooteboom) met een enkele kanttekening.’
De ‘meneer D.’ uit het stuk van Nooteboom is M.W. Duyzings (1916-1997), die eind jaren zestig nog een paar jaar hoofdredacteur van Elsevier zou zijn, maar in 1963 voor het weekblad nog ‘kriskrassend over de aardbol’ reist om in lyrische bewoordingen ‘broedertwisten en bloedbaden’ te verslaan in lange verhalen, waarin altijd duidelijk is dat de verslaggever weinig vertrouwen heeft in ‘onafhankelijkheidsstrijders’.
Lekker links lachen
Het is zijn weinig neutrale toon die Nooteboom in zijn stuk ‘Waarom huilt U, meneer D.?’ in de Volkskrant belachelijk maakt.
De kanttekening van Elsevier waarover het naschrift spreekt, blijkt een weinig gelukte persiflage van de stijl van Nooteboom, waarin wordt gesteld dat Nooteboom lekker goedkoop aan het Leidseplein verblijft in plaats van zelf, net als Martin Duyzings, naar Leopoldstad te reizen, de hoofdstad van Belgisch-Kongo.
De niet-ondertekende kanttekening, die waarschijnlijk van Duyzings zelf is, eindigt met: ‘Als er weer een missionaris vermoord wordt in Kongo, zal het [Nooteboom] een troost zijn te weten dat er in een vooraanstaand katholiek dagblad van Nederland om zijn lot niet getreurd maar lekker links (LINKS) gelachen wordt.’
Nootebooms terugkeer naar Elsevier
Bijna een kwarteeuw na deze korte polemiek, in 1986, is het hoofdredacteur André Spoor die Nooteboom terughaalt naar Elsevier. Spoor wilde Elsevier een culturele glans geven en Nooteboom paste volgens hem bij dat nieuwe imago. Spoor bleef niet lang hoofdredacteur. Nooteboom houdt het langer vol.
Maar op zaterdag 24 februari 1990 verschijnt dan toch zijn laatste verhaal in het blad. Het is niet zijn definitieve afscheid, want hij keert nog één keer terug, in 2007, met een bijdrage over kleren, die speciaal was geschreven voor een glossy bijlage over mannenmode.
Deze tekst verscheen eerder als hoofdstuk in het boek Non Solus. Uitgevers en gouden knapen van Elsevier (2020), samengesteld door Arendo Joustra.