Het indringende betoog van hoogleraar Bastiaan Rijpkema in zijn nieuwe boek Weerbare rechtsstaat: De vangrails in de Grondwet, laat bij Zihni Özdil een dubbel gevoel achter. Hoe belangrijk zijn de voorgestelde grondwettelijke waarborgen wanneer informele mechanismen zoals politieke cultuur en maatschappelijk vertrouwen steeds verder afbrokkelen?
Hoe schrijf je een objectieve en waar nodig kritische column over het boek van een heel goede vriend? U mag best weten dat ik het lastig vond. Niet omdat ik er niet toe in staat ben. Maar vanwege mijn neiging om heel goede vrienden te sparen. Wacht. Nu ik toch hierover aan het filosoferen ben, komt de oplossing plots tot me!
‘Heel goede vriend’ is wellicht enigszins overdreven. ‘Dierbare kennis’ is waarschijnlijk een meer nuchtere duiding voor mijn relatie met professor Bastiaan Rijpkema, rechtsfilosoof aan de Universiteit Leiden. Zijn nieuwe boek Weerbare rechtsstaat: De vangrails in de Grondwet, geschreven samen met Jorieke Manenschijn en Steven Bruintjes, biedt een grondige analyse van de instrumenten die een democratische rechtsstaat kunnen beschermen tegen erosie en autocratische tendensen.
Boek van grote waarde, maar lang niet voor iedereen
Ik zal mijn column maar meteen openen met een compliment. In een tijd waarin de democratie wereldwijd onder druk staat, is dit werk van grote waarde voor juristen, beleidsmakers en iedere geïnteresseerde burger. Met nadruk op ‘geïnteresseerde’. Want als je het hebt over een toegankelijke schrijfstijl, stond dit boek als laatste in de rij tijdens het uitdelen ervan.
De auteurs beginnen met een overtuigende inleiding die het belang van een weerbare rechtsstaat onderbouwt. Ze wijzen op de wereldwijde ‘democratische recessie’. Geïllustreerd door voorbeelden als de afbraak van rechtsstatelijke normen in Hongarije en Polen, maar ook door zorgen dichter bij huis in Nederland. Het concept van een weerbare rechtsstaat, zoals hier gepresenteerd, is een noodzakelijke aanvulling op Weerbare democratie, een eerder boek van de hand van professor Rijpkema.
Oprichting van een Constitutioneel hof
Eén van de meest intrigerende voorstellen in dit nieuwe boek is de oprichting van een Constitutioneel Hof in Nederland, vooral door NSC actueel gemaakt in het publieke debat. Zelf wist ik het ook niet tot ik Kamerlid werd, maar wij zijn zowat het enige land in de wereld dat traditioneel terughoudend is in het geven van toetsingsbevoegdheden aan de rechterlijke macht.
Zo hoeven wetten in Nederland niet te voldoen aan de Grondwet. Want, en hopelijk leg ik het nu goed uit, wij hebben besloten dat het parlement de ultieme toetser is. Dus door het parlement voorgestelde wetten hoeven door niemand anders dan het parlement zelf getoetst te worden, voor ze kunnen worden ingevoerd.
De auteurs onderbouwen goed hoe een Constitutioneel Hof een cruciale rol kan spelen in het beschermen van de kernwaarden van de rechtsstaat. Ze stellen dat een dergelijk hof, dat wetgeving toetst aan de Grondwet, een belangrijke verdedigingslinie kan vormen tegen wetten die de democratische principes en fundamentele rechten ondermijnen.
Wat het boek bijzonder maakt, is de genuanceerde discussie erin over de effectiviteit van constitutionele hoven. De auteurs wijzen op internationale voorbeelden zoals Duitsland en Zuid-Afrika, waar dergelijke hoven een sterke rechtsstatelijke traditie hebben versterkt. Tegelijk blijven Rijpkema, Manenschijn en Bruintjes realistisch over de beperkingen: een Constitutioneel Hof is geen wondermiddel, maar kan onderdeel vormen van een breder systeem van checks and balances.
Zeker in Nederland moeten we de heilzame werking van een Constitutioneel Hof als oplossing voor alle problemen niet overschatten, is de overredende strekking van het boek.
Een andere kracht van het boek ligt in de systematische inventarisatie van grondwettelijke waarborgen. Dat biedt een nuttig analytisch kader. De auteurs slagen erin om zowel traditionele instrumenten, zoals verzwaarde grondwetswijzigingsprocedures, als minder voor de hand liggende maatregelen, zoals een grondrechtenbewakend Constitutioneel Hof, op heldere wijze te bespreken.
Daarnaast is het boek uitstekend gedocumenteerd. De auteurs baseren hun bevindingen op een breed scala aan internationale voorbeelden en empirische studies. Ze illustreren overtuigend hoe landen zoals Duitsland en Zuid-Afrika hun constitutionele architectuur hebben ingezet om democratische en rechtsstatelijke principes te waarborgen. Deze casestudies maken het boek relevant voor een internationaal publiek en benadrukken dat de uitdagingen waarmee Nederland te maken heeft, onderdeel zijn van een bredere mondiale trend van democratische achteruitgang.
Maar toch knaagt er iets bij mij. Hoewel het boek terecht pleit voor versterking van de rechtsstaat, laat het belangrijke vragen over de effectiviteit van voorgestelde maatregelen onbeantwoord. De auteurs schrijven bijvoorbeeld dat eeuwigheidsclausules en verzwaarde wijzigingsprocedures belangrijke barrières kunnen vormen tegen democratische erosie. Dit lijkt plausibel, maar empirisch bewijs over de effectiviteit van deze instrumenten is beperkt en vaak tegenstrijdig.
Een ander punt van kritiek is dat het boek zich vrijwel exclusief richt op ‘harde’ grondwettelijke waarborgen en nauwelijks aandacht besteedt aan informele mechanismen, zoals politieke cultuur en maatschappelijke normen. Laat staan de effecten onder brede delen van het electoraat wanneer keihard neoliberaal beleid het vertrouwen in instituties ondermijnt.
De auteurs erkennen weliswaar het belang van ‘zachte vangrails’ zoals wederzijdse tolerantie en institutionele terughoudendheid, maar deze blijven in de analyse onderbelicht. Het was een verrijking geweest als Rijpkema, Manenschijn en Bruintjes explicieter hadden onderzocht hoe harde en zachte waarborgen elkaar kunnen aanvullen en versterken.
Weerbare rechtsstaat: De vangrails in de Grondwet is een indrukwekkend en noodzakelijk werk dat de uitdagingen en oplossingen voor de moderne democratische rechtsstaat verkent. Het boek combineert diepgaande analyse met praktische aanbevelingen. Het nodigt uit tot debat en actie.
Van meesterwerk tot slaapmiddel: voor ieder wat wils
Maar, zoals u aan de uit het boek ontleende terminologie in deze column misschien al hebt kunnen inschatten, zal de gemiddelde lezer het doodsaaie kost vinden. Dat ligt geenszins aan de zeer interessante inhoud, maar alleen aan de te ‘academische’ schrijfstijl.
En juist dát maakt Weerbare rechtsstaat: De vangrails in de Grondwet een absolute en totale aanrader voor iedereen. Enerzijds voor vakmensen en goed onderbouwde ‘leken’ zoals ik. Die zullen het boek met veel leesplezier verslinden. Anderzijds voor de rest van de bevolking die geen (juridische) basis heeft in de materie: een beter en effectiever slaapmiddel dan dit boek is er niet!