Leo Kwarten

Op de Westelijke Jordaanoever is iedereen bang voor elkaar

26 oktober 2021

De Westelijke Jordaanoever ademt prachtige bijbelse geschiedenis, maar ook haat en nijd. Tijdens een bezoek vlak bij Betlehem merkte Leo Kwarten dat de spanningen tussen Joden en Palestijnen er vooral rond de Israëlische checkpoints hoog oplopen.

Zaterdagochtend in Jeruzalem. Het is sabbath. Er valt niets te beleven in de stad. En dus besluit ik een wandeling te maken van Bethlehem naar het 10 kilometer verderop gelegen fort Herodion, dat ooit werd gebouwd door koning Herodes. De doodstille asfaltweg voert door een pastoraal landschap met bedauwde velden en een enkel blatend schaap. Als vanzelf dringt Lukas 2 (8-15) zich aan de wandelaar op: hoe de herders hier ’s nachts werden opgeschrikt door de komst van een engel van de Heer en ze omgeven werden door stralend licht: ‘Vandaag is in de stad van David jullie redder geboren. Hij is de messias, de Heer.’

‘Die Arabieren daar zullen je vermoorden’

Leo Kwarten (1957) is arabist en antropoloog. Als zelfstandig gevestigd adviseur werkt hij voor bedrijven die opereren in het Midden-Oosten. Daarnaast publiceert hij over politiek en religie in de regio.

Plotseling wordt de serene rust verstoord, niet door goddelijk licht of een engel, maar door het geronk van een achteropkomende Israëlische legerjeep. Hij komt piepend tot stilstand. De gezichten van de twee ingezetenen zijn nauwelijks herkenbaar door de helmen, brillen en microfoons die ze dragen. Hier en daar steekt een antenne uit hun uitmonstering, terwijl een hese stem uit een portofoon blaast. ‘Wat jij doet is gevaarlijk,’ schreeuwt de bestuurder. ‘Die Arabieren daar zullen je vermoorden.’ Hij wijst in de richting van het verderop gelegen Palestijnse dorp Beit Sahour. ‘Stap in, dan zetten we je af waar het veilig is.’

Ik sla zijn aanbod vriendelijk maar beslist af, ook al blijft hij aandringen. ‘We hebben je gewaarschuwd,’ gromt de militair ten slotte. ‘You are crazy.’ Hij geeft gas en de jeep verdwijnt met grote snelheid uit beeld. Later word ik in Beit Sahour opgewacht door een groepje Palestijnse jongens. ‘Hé, wat wilden die Joden van je?’ vragen ze. ‘Nou,’ zeg ik, ‘ze denken dat jullie me gaan vermoorden, dus boden ze me een lift aan.’ ‘Wát?’ reageren ze verontwaardigd. ‘Waarom zouden we jou vermoorden? Je bent toch geen kolonist of zo? Nee, zij vermoorden óns. Elke dag, in de gevangenis, bij de checkpoints, overal!’

Ik vraag hun of ik ergens in Beit Sahour een kop koffie kan krijgen. Want vandaag ben ik toerist.

Israëliërs bang voor mes- en ramaanvallen, Palestijnen voor checkpoints

Op de Westelijke Jordaanoever is iedereen bang voor elkaar. De Israëlische bezetters voor messentrekkende Palestijnen en ramaanvallen met voertuigen, en de Palestijnse bevolking voor hardvochtige Israëlische militairen bij checkpoints. De angst van beide volkeren is even reëel, maar het speelveld is ongelijk verdeeld. Als de sterkste partij in het conflict hebben de Israëliërs op de Westoever een ingenieuze infrastructuur aangelegd om zich te beschermen, waaronder checkpoints, muren, uitkijktorens, wegen waarop uitsluitend auto’s met Israëlische kentekens mogen rijden en gefortificeerde Joodse nederzettingen.

De Palestijnen hebben niets van dat alles. Hun dagelijkse leven wordt voornamelijk gedicteerd door talloze checkpoints die de Palestijnse enclaves op de Westoever afsluiten van gebieden die door het Israëlische leger worden bewaakt. Ik kreeg een goed beeld van deze realiteit toen ik ooit vanuit Nablus naar Jeruzalem reisde. Het checkpoint aan de rand van Nablus werd bemand door jonge Israëlische militairen. Ze schreeuwden commando’s naar de Palestijnen. Het betrof voornamelijk mannen die onderweg waren naar hun werk buiten de stad, maar ook studenten en een enkel gezin.

Onderhuidse Palestijnse woede gevoed door dagelijkse vernederingen

Ik liet me meevoeren met de mannen die zich als makke schapen verzamelden in wat leek op een nauwe ijzeren veekooi. Eén voor één moesten ze zich melden bij een vrouwelijke soldaat, die op afstand bevelen riep als ‘Niet aankijken’, ‘Hoofd naar beneden’, ‘Stop’ en ‘Toon je ID’. Een oudere man moest 10 minuten blijven staan, nadat de vrouw was weggelopen om koffie te drinken met collega’s. De Palestijnen om me heen zwegen, hoofd naar beneden, gedwee en angstig. Maar ik maakte me geen enkele illusie over de onderhuidse woede die door deze vernederingen dagelijks werd gevoed.

Wie geen zin heeft om naar Nablus te gaan, kan op Netflix ook de prijswinnende film The Present (2020) bekijken. Hij is gemaakt door de Brits-Palestijnse filmmaker Farah Nabulsi. Hoofdpersoon is Yousef, een Palestijnse man. Hij neemt een dag vrij om met zijn dochter in de stad een verjaardagscadeau voor zijn vrouw te kopen. Dat lijkt simpel maar is het niet, want daarvoor moeten ze langs een Israëlisch checkpoint. Wat een feestelijk uitje had moeten zijn, wordt een lijdensweg. En dan toont Nabulsi nog een ‘vegetarische’ versie. Er zijn Palestijnse vrouwen bevallen bij checkpoints, omdat ze niet op tijd bij het ziekenhuis konden komen.

Metalen roosters voor de autoruiten tegen stenen

Maar bij dat checkpoint in Nablus zag ik ook iets anders: piepjonge Israëlische militairen, kinderen nog, die achter hun geweren en grote mond eigenlijk doodsbang zijn. Ze deden me denken aan die Joodse kolonist, een emigrant uit New York, die ik ooit ontmoette in de nederzetting Kiryat Arba. Elke ochtend bracht hij zijn kinderen naar school. Omdat de Palestijnen zijn passerende auto steevast bekogelden met stenen had hij metalen roosters voor de ramen geschroefd. Ik vroeg hem hoe zijn kids dat ervoeren. ‘Zo’n steen geeft een enorme klap,’ zei hij. ‘Dus eerst waren ze bang. Maar zijn ze er inmiddels aan gewend.’

Ik heb me altijd afgevraagd of dat mogelijk is.

Later reisde ik per bus vanuit Nablus terug naar Jeruzalem. Bij het checkpoint Qalandia stapten alle passagiers – uitsluitend Palestijnen – uit om zich te melden in een kantoortje. Ik bleef zitten, evenals een krom stokoud vrouwtje op de achterbank. Een grote Israëlische militair betrad de bus en checkte mijn paspoort. Tegen mij was hij uiterst correct. Maar toen brulde hij ineens tegen de vrouw: ‘Jij daar, eruit!’ Hij nam een paar stappen in haar richting. De schrik sloeg me om het hart. Hij ging haar toch niet slaan of aan haar sjorren? Haar skelet moest broos als beschuit zijn.

‘Hé, kerel!’ riep ik. ‘Die vrouw kan amper lopen. Ze moest door passagiers aan boord worden geholpen.’ Ik had direct spijt, want de reus draaide zich naar me om en keek me woedend aan. Toen stampte hij tot mijn stomme verbazing en opluchting de bus uit.

Ingelogde abonnees van EWmagazine kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.

Reacties die anoniem worden geplaatst of met een overduidelijke schuilnaam zullen door de moderator worden verwijderd, evenals reacties die niets met het onderwerp van het artikel te maken hebben. Dit geldt evenzeer voor racistische of antisemitische reacties. De moderator handelt in opdracht van de hoofdredacteur.