Alfred Pijpers

Hoe politici de verkeerde les uit de Holocaust trekken

27 januari 2021

Woensdag 27 januari was het Holocaust Memorial Day en is op tal van plekken in Europa en de rest van de wereld de bevrijding van Auschwitz-Birkenau herdacht. Critici vergelijken de ophitsende taal van politici tegen bijvoorbeeld Marokkanen weleens met die tegen de Joden destijds. Alfred Pijpers legt in een ingezonden opinie uit waarom die vergelijking onjuist is.

In Amsterdam wordt Holocaust Memorial Day traditiegetrouw herdacht op de laatste zondag van deze maand bij het Spiegelmonument van Jan Wolkers in het Wertheimplantsoen.

Alfred Pijpers (1947) is politicoloog en was verbonden aan het Instituut Clingendael.

 

Ingezonden opinieartikelen worden geselecteerd door de redactie, maar vertegenwoordigen niet noodzakelijkerwijs het standpunt van EW.

Vanwege corona zal de herdenking zich dit keer in besloten kring voltrekken, zonder de gebruikelijke stille tocht vanaf het stadhuis. Jammer, want die trieste, zwijgende  rouwstoet in het grauwe januarilicht vormt  telkens een treffende omlijsting van de plechtigheden.

Eerste jaren na oorlog pijnlijke stilte rond Jodenvervolging

Al die herdenkingen zijn niet vanzelfsprekend. In de eerste naoorlogse jaren heerste er bijna overal een pijnlijke stilte rond de Jodenvervolging. In West-Europa kwam de discussie pas in de jaren zestig goed op gang, terwijl de Joodse lotgevallen in Oost-Europa en de Sovjet-Unie nauwelijks aandacht kregen tijdens de Koude Oorlog. Moskou vond de miljoenen gesneuvelde Russische strijders tegen het fascisme veel belangrijker. Na de val van het communisme kwam daar echter verandering in, mede doordat de archieven werden opengesteld voor onderzoek.

Hoewel er significante nationale verschillen blijven, heeft de vernietiging van het Joodse volk een eigen plaats gekregen in de Europese herdenkingscultuur. Ook de Europese Unie laat zich niet onbetuigd. Het Europees Parlement organiseert bezoeken aan Auschwitz  en de vorige voorzitter van de Europese Commissie, Jean-Claude Juncker, stelde in januari 2017 bij de 75-jarige herdenking van de Wannseeconferentie, dat de Europese Unie ‘ten volle deel heeft aan deze gedenkplicht’, zeker nu het aantal directe getuigen van de Ondergang steeds kleiner wordt. Met steun van Brussel is de European Holocaust Research Infrastructure opgezet om via historisch onderzoek en documentatie de kennis van de catastrofe levend te houden.

Kritische kanttekening past bij herdenkingscultuur

Dat klinkt allemaal zeer lovenswaardig, maar er past ook een kritische kanttekening bij de actieve Europese en Nederlandse herdenkingscultuur. De Holocaust wordt namelijk niet alleen herdacht, maar ook nadrukkelijk als politiek argument gebruikt in de strijd tegen hedendaags antisemitisme en discriminatie.

Lees ook deze column van Geerten Waling: Ooit een antisemiet ontmoet?

Dat hebben tientallen Europese landen plechtig beloofd in hun Verklaring van Stockholm uit 2000. De Europese Commissie stelt: ‘In deze roerige tijden is gedenken niet alleen het in herinnering roepen van het verleden, maar ook waarschuwen om niet opnieuw dezelfde fouten te maken, en niet in dezelfde val te trappen door discriminatie en haat ruim baan te geven.’

Ook het Europees Parlement heeft de EU-lidstaten opgeroepen om ‘de huidige bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en antisemitisme tegen de achtergrond van de shoah (holocaust) te plaatsen’, mede via onderwijs en voorlichting.

De Holocaust begon niet met pesterijen

In Nederland heeft deze benadering breed ingang gevonden. Telkens weerklinkt de waarschuwing dat discriminerende uitlatingen en handelingen jegens minderheden niet alleen op zichzelf kwetsend of strafbaar zijn, maar ook  moeten worden gezien als een voorbode van een veel groter kwaad. Wat begint met scheldpartijen op internet kan zonder tegenmaatregelen uiteindelijk weer  uitmonden in massale onderdrukking en terreur, hoor je vaak. Bij de Auschwitz-herdenking van 2016 zei burgemeester Eberhard van der Laan bijvoorbeeld: ‘Als jongeren leren hoe antisemitisme en racisme stapsgewijs uitgroeiden tot de Holocaust, dan weten zij dat de minste onverdraagzaamheid vandaag direct om actie vraagt.’

Een soortgelijke boodschap hoorden we tijdens de Nationale Dodenherdenking op 4 mei jongstleden in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Schrijver Arnon Grunberg suggereerde in zijn toespraak bij die gelegenheid dat de ophitsende taal van Kamerleden en politici tegen bijvoorbeeld Marokkanen, ‘doet denken aan de meest duistere tijd uit de twintigste eeuw’. Hij brengt in herinnering hoe in Auschwitz kerosine werd uitgegoten over levende vrouwen en kinderen. Ook dat ‘begon met woorden, met toespraken van politici’, aldus Grunberg.

Verdelging Europese Jodendom niet begonnen met wat pesterijen

Maar wie veronderstelt dat de actuele haatzaaierij jegens Marokkanen en Joden zomaar kan uitgroeien tot nieuwe volkerenmoord, miskent de drie grondslagen waardoor de Holocaust realiteit kon worden in nazi-Duitsland: (1) Een totalitaire politiestaat, aangestuurd door politieke leiders met (2) een radicale antisemitische vernietigingsideologie, in combinatie met (3) een reusachtig militair apparaat dat op grote schaal buiten de eigen Duitse grenzen de  miljoenenvoudige moord op het Europese Jodendom kon realiseren.

Lees ook de column van Philip van Tijn: Keppel Op! Een terechte demonstratie

De verdelging van het Europese Jodendom is niet begonnen met wat pesterijen, en dat het proces stap voor stap zou zijn verlopen, is ook  gezichtsbedrog. Van meet af aan, dat wil zeggen vanaf het moment dat Hitler in 1933 de macht had gegrepen, is met grof, revolutionair geweld opgetreden tegen de politieke tegenstanders van het nieuwe regime en tegen de Joodse burgerij. Binnen luttele weken werden in tal van Duitse steden en dorpen  honderden Joden uit hun huizen gesleept, mishandeld en vermoord, of naar concentratiekampen afgevoerd. Synagogen werden verwoest, Tora-rollen in brand gestoken. Vanaf het begin werd het tomeloze nazi-geweld aangedreven door expliciete anti-Joodse eliminatieplannen bij de hoogste Duitse politieke leiders, Adolf Hitler voorop. Ook al werden die pas later uitgewerkt tot de finesses van Auschwitz en Sobibor.

Het begon met dodelijk vervolgingsapparaat, niet met bordjes

Ook in Nederland begon, in mei 1940, de Ondergang niet met bordjes ‘Verboden toegang voor Joden’, maar met de installatie van een dodelijk vervolgingsapparaat. Inderdaad leek het alsof de maatregelen tegen de Joodse bevolking van Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart, de keurige Oostenrijkse jurist die zoveel van Bach en Beethoven hield, stap voor stap werden gedoseerd.

Dat leek mede zo doordat de slachtoffers geen weet hadden van het einddoel. Maar hetzelfde bewind dat bij ons Joden verbood om in de tram te zitten of naar het Vondelpark te gaan, had in Polen de vernietigingsindustrie al in gang gezet. Seyss-Inquart was een fanatieke nazi die tot kort vóór zijn aanstelling in Den Haag als rechterhand had gefungeerd van Hans Frank, de beruchte Duitse chef van het Generaal-Gouvernement in Polen. Hij wist dus alles van de Duitse massamoorden in dat gebied, en heeft daaraan persoonlijk actief meegewerkt. Seyss-Inquart stond onder rechtstreeks gezag van Hitler, was volledig op de hoogte van diens anti-Joodse intenties, en heeft er, samen met SS-leiders als Hanns Albin Rauter en Wilhelm Harster, alles aan gedaan om deze ook in Nederland zo effectief mogelijk door te voeren. En dat is aardig gelukt. Alleen al het tempo waarmee het overgrote deel van het Nederlandse Jodendom is weggevoerd (tussen juli 1942 en juni 1943), wijst niet bepaald op geleidelijkheid.

Unieke drie-eenheid is nergens meer te vinden

De unieke drie-eenheid van het nazi-kwaad is momenteel in Europa en de westerse wereld nergens meer te vinden, ook niet in landen met autocratische trekken. De recente aanslagen op Joodse restaurants of begraafplaatsen in Frankrijk, Duitsland, en ook Nederland, door extreem-rechtse vandalen of  islamitische terreurgroepen, zijn stuk voor stuk misdadig, en krijgen vaak buitenlandse steun, maar in Europa zijn ze geheel en al verstoken van de demonische staatsmacht die het Derde Rijk zo dodelijk maakte.

Lees ook het commentaar van Gertjan van Schoonhoven: Wie scheldt op Grunberg heeft bord voor de kop van hier tot het Vondelpark

Joodse, Marokkaanse en andere minderheden genieten in praktisch alle Europese landen de rechtsbescherming van een democratische overheid, ook al is die niet altijd bij machte terreurdaden te voorkomen. Grunberg beweert dat de ‘ziektes van de vorige eeuw, die van het geïndustrialiseerde totalitarisme, van het tot genocide verworden antisemitisme, van het biologische racisme, diep in onze cultuur zitten’. Dat  is een miskenning van de Nederlandse cultuur, en een enigszins misplaatste opmerking bij een Nationale Dodenherdenking. Politieke lessen trekken uit de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog blijft een gebod van de eerste orde. Maar dan moeten die lessen niet de ware toedracht en omstandigheden van die geschiedenis vertekenen, en ook niet die van de hedendaagse Europese realiteit.

Ingelogde abonnees van EWmagazine kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.