Leo Kwarten

De waarde van triktrak in het Arabische theehuis

17 november 2020

De totstandkoming van de Oslo-akkoorden had een hoog theehuisgehalte. Die sfeer bracht de Israëliërs en Palestijnen dicht bij elkaar. Maar de akkoorden faalden daarna volgens Leo Kwarten door grote cultuurverschillen.

Leo Kwarten

Leo Kwarten is arabist en antropoloog. Als zelfstandig gevestigd adviseur werkt hij voor bedrijven die opereren in het Midden-Oosten. Daarnaast publiceert hij over politiek en religie in de regio.

Shlomo is geboren in Damascus, maar woont nu in de Israëlische kustplaats Ashdod. Hij is volkomen out-of-place  in zijn nieuwbouwflatje. Zeker, het is mooi gelegen met uitzicht over zee, maar de geuren en geluiden uit zijn kinderjaren zijn er verder weg dan waar ook. Daarom ging Shlomo vaak naar Gaza of Nablus om in het theehuis triktrak te spelen met Palestijnse vrienden. Dat wil zeggen, lang geleden, voordat het gelazer in de Palestijnse gebieden begon: de intifadah, de reisbeperkingen, de muur. Sindsdien blijft de oude Shlomo thuis in Ashdod, waar niemand triktrak speelt en er vies wordt gekeken als je Arabisch spreekt.

In Israël wordt Shlomo gezien als een Syrische Jood, maar eigenlijk is hij een Joodse Arabier. Hij was liever niet weggegaan uit de Harat Al-Yahud, de Jodenwijk in de oude stad van Damascus.

Shlomo vraagt me of ik de wijk ken. Ik vertel hem dat ik ooit in Damascus een taxi aanhield en dat de Syrische chauffeur schietbewegingen begon te maken toen ik mijn bestemming noemde. ‘Alle Joden dood!’ riep hij. Bij aankomst stak er toevallig een rijzige Jood met pijpenkrullen de straat over. De chauffeur sprong uit zijn auto. Ik hield mijn hart vast. Maar hij omhelsde de man allerhartelijkst. Ya Ayni!, riep hij. ‘Oogappeltje!’

Joodse vijfde colonne

Shlomo moet lachen. ‘We hadden nooit problemen met onze Syrische buren,’ zegt hij. ‘We aten samen, kwamen op elkaars bruiloft. Het was de politiek die problemen veroorzaakte.’ Inderdaad, na de stichting van de staat Israël in 1948 ging het Syrische regime de Joden beschouwen als een vijfde colonne. Er werden reisbeperkingen van kracht. Joodse identiteitskaarten kregen een rood stempel met daarop Musawi, nazaat van Mozes. Tot 1992 hield de Syrische leider Hafez al-Assad emigratie tegen: de Joden in Syrië werden een troef in zijn onderhandelingen over teruggave van de door Israël bezette Golan.

Zoals Shlomo zijn er veel Israëliers van Arabische komaf die met liefde spreken over hun geboorteland. Dat is niet altijd gemakkelijk in een land waar in de volksmond ‘Arabier’ synoniem is met terrorist. Soms leidt dat tot merkwaardige situaties. ‘Aáááh’, reageert een vrouw van rond de zestig verrukt als ze vraagt naar mijn achtergrond. Ze is geboren in Egypte, vandaar. We zitten naast elkaar in de bus naar Jeruzalem. ‘Wat heerlijk dat ik Arabisch met je kan spreken,’ lacht ze. De vreugde is echter van korte duur. Een potige man vraagt in cactusdroog Engels of we willen ophouden. ‘Uw medepassagiers storen zich eraan,’ gromt hij.

Israëlische smeltkroescultuur

Ik denk dat het Israëlisch-Palestijnse probleem al lang zou zijn opgelost als de Israëlische bevolking geheel uit Shlomo’s had bestaan, ‘oriëntaalse’ Joden die vanuit het Midden-Oosten en Noord-Afrika naar Israël zijn geëmigreerd. Ze zouden muntthee met hun Palestijnse tegenstanders hebben gedronken en een onnavolgbaar Midden-Oosters compromis hebben bedacht.

Het zijn de Europese Joden geweest, leiders als David Ben-Gurion, Shimon Peres en Yitzhak Rabin, die van Israël een onneembaar fort hebben gemaakt dat wordt bewaakt met kernwapens en F-16’s. Gehaat door zijn buren, maar ook gevreesd.

In 2020 is in Israël het onderscheid tussen ‘oosterse’ en ‘westerse’ Joden grotendeels verdwenen. Loop door Ben Yehuda Street in Jeruzalem en je ziet een kosmopolitische mix van zwart, geel, olijfkleur en wit, al dan niet met een keppel. De Israëlische smeltkroescultuur die vanaf 1948 is ontstaan, is bijna de tegenpool van de Arabische. Israëliers zijn egalitair, efficiënt, oplossingsgericht, en zó direct dat zelfs een Nederlander er bij verbleekt. Rijd naar het 20 kilometer verderop gelegen Ramallah, waar de Palestijnse Autoriteit huist, en je betreedt een ander universum: hopeloos hiërarchisch en inefficiënt, maar het is er wel een stuk gezelliger.

Arabische theehuismodus

Ik ben ervan overtuigd dat deze culturele verschillen aan de basis liggen van het falen van de Oslo-akkoorden uit 1993. De geheime onderhandelingen werden op gang gebracht door Noorwegen. Ze begonnen uiterst informeel, op laag niveau. Israëlische en Palestijnse academici brachten lange dagen samen door in een woonhuis en discussieerden bij de open haard, terwijl het gastgezin – een Noors diplomatenkoppel – zalm met dille bereidde. Een hoog theehuisgehalte, zeg maar. En het werkte, want de partijen wisten in grote lijnen een vredesakkoord op papier te zetten waar iedereen mee kon leven.

Het ging fout toen de Israëlische regering zich ermee ging bemoeien en een leger van juristen naar Oslo dirigeerde om elk detail vast te leggen. De Palestijnen waren daarop niet voorbereid. Het ontbrak ze aan kennis en ervaring. Trouwens, ze zaten nog steeds in de Arabische theehuismodus, wat inhoudt dat alles waar je je handtekening onder zet op een later tijdstip kan worden heronderhandeld. Zo werd de ceremonie op 13 september 1993 op het gazon voor het Witte Huis op het allerlaatste moment bijna afgeblazen omdat PLO-leider Arafat nog iets gewijzigd wilde zien.

Achteraf gezien zijn de Oslo-akkoorden een flop gebleken. Vooral voor de Palestijnen, die sindsdien alleen maar meer land zijn kwijtgeraakt. Maar ook voor die oude Jood in Ashdod die graag nog een spelletje triktrak had willen spelen.

Ingelogde abonnees van EWmagazine kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.