Marijn Jongsma

Coronacrisis kan China nog machtiger maken

25 juni 2020

Door de coronacrisis lijkt een schuldverlichting voor arme landen onvermijdelijk. China kan hiermee zijn greep op Azië en Afrika versterken, schrijft Marijn Jongsma.

Marijn Jongsma

Marijn Jongsma (1969) is economisch redacteur bij Elsevier Weekblad. Hij blogt wekelijks op donderdag over financieel- en macro-economische onderwerpen.

Het land kampt intern met enorm gestegen schulden van huishoudens en bedrijven, maar is op het wereldtoneel in snel tempo uitgegroeid tot een van de grootste schuldeisers. In 2004 had China nog ‘maar’ 875 miljard dollar (780 miljard euro) uitgeleend aan de rest van de wereld, zo blijkt uit berekeningen van het Institute of International Finance (IIF). Vorig jaar was het al 5.500 miljard dollar (4.900 miljard euro).

De Zijderoute als drijvende kracht

Een belangrijke drijvende kracht is het in 2013 gelanceerde ‘Belt and Road Initiative’, ook wel de nieuwe Zijderoute genoemd. China financiert grote infrastructuur- en energieprojecten in voornamelijk Azië en Afrika: denk aan wegen, spoorlijnen, havens en elektriciteitscentrales. De achterliggende gedachte is het creëren van een internationaal handelsnetwerk waarin China domineert.

Mede door dit initiatief staan vooral veel arme landen in het krijt bij China. Volgens het Internationaal Monetair Fonds (IMF) is het land inmiddels goed voor ruim 11 procent van de buitenlandse schulden van overheden in de armste landen, bijna het dubbele van het aandeel van de club van Parijs waarin grote schuldeisers als de Verenigde Staten, Japan en Europa overleggen met landen die niet aan hun verplichtingen kunnen voldoen.

Statistieken schieten tekort

En dat is nog maar een schatting. Volgens een studie van het Kiel Institute for the World Economy blijft 50 procent van de Chinese leningen aan ontwikkelingslanden buiten de officiële statistieken, onder meer omdat ze aan staatsbedrijven worden verstrekt. Volgens de onderzoekers is dat een serieus probleem bij de inschatting van de risico’s in zulke landen, hetgeen andere geldschieters mogelijk afschrikt.

In veel gevallen hebben de Chinese geldschieters recht op het onderpand (zoals een haven) als het misgaat. Economen wijzen op het gevaar van een schuldenval, de zogeheten debt trap: naarmate een land afhankelijker wordt van één grote buitenlandse geldschieter, verliest het de regie over het eigen land. Een te grote afhankelijkheid van China is ook in financieel opzicht riskant. Wat als de groei in China vertraagt en de geldkraan wordt dichtgedraaid?

Afhankelijkheid van Chinees geld is groot

Bij sommige landen is de afhankelijkheid van Chinees geld veel groter dan het bovengenoemde gemeten gemiddelde doet vermoeden.  In de Malediven is de externe schuld bijna volledig Chinees. In landen als Niger, Cambodja en Ethiopië voor meer dan de helft. Volgens het IIF is 25 procent van de totale buitenlandse schuld van de zogenoemde DSSI-landen in handen van China.

DSSI staat voor het Debt Service Suspension Initiative, een in april gelanceerd initiatief van de Wereldbank, het IMF, de G20 en de club van Parijs. De inzet is dat een lijst armste landen dit jaar niet hoeft te voldoen aan de rente- en aflossingsverplichtingen, zodat er omgerekend een kleine 11 miljard euro vrijkomt voor de bestrijding van het coronavirus.

China is geen lid van de club van Parijs. De Chinese leider Xi Jinping kondigde eerder deze maand aan een streep te halen door een deel van de schulden aan arme landen, al blijft het nog onduidelijk hoeveel er wordt kwijtgescholden en om welke landen het gaat. Afrika is het meest kwetsbaar. Volgens de Amerikaanse Johns Hopkins University (JHU) heeft China tussen 2000 en 2018 voor omgerekend zo’n 135 miljard euro uitgeleend aan 49 Afrikaanse staten en Afrikaanse staatsbedrijven. Het olierijke Angola is goed voor bijna 30 procent daarvan.

De 3 mythes rond Chinese leningen

Hoe gedraagt China zich tot dusver als mondiale kredietverstrekker? Bovengenoemde universiteit onderzocht hoe het land tussen 1980 en 2019 omging met schuldverlichting. Volgens professor Deborah Brautigam wordt een aantal ‘mythes’ ontkracht. De eerste mythe is dat China ruimhartig is met het kwijtschelden van schulden. Dat geldt alleen voor rentevrije noodleningen die maar een klein deel van het totale pakket uitmaken.

Mythe 2 is dat onderhandelen met de Chinezen gemakkelijk is, omdat ze niet dezelfde strenge voorwaarden stellen als het IMF of de Wereldbank. Dat blijkt niet het geval. Lening voor lening wordt uitgeplozen. Bovendien is er niet één Chinese kredietverstrekker: er zijn meer dan 30 Chinese banken en overheden betrokken bij de kredietverlening aan China.

Mythe 3 is dat China strategische bezittingen als vliegvelden en havens opeist in ruil voor schuldverlichting. Tot dusver blijkt er geen direct verband tussen die twee te bestaan. Of dit zo blijft, is de vraag. Zolang de Chinese groei niet te veel vertraagt, is de coronarecessie in arme landen een uitgelezen moment om de economische greep te verstevigen.

Ingelogde abonnees van EWmagazine kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.