EW Podium, Joost van Hoof

Geef ouderen een stem bij invulling woonwensen

29 december 2021

Nederland kampt met een enorme woningnood. Juist nu moeten we ervoor zorgen dat we geen woningen bouwen die binnen enkele jaren alweer ten prooi vallen aan de sloopkogel – zeker als het gaat om onderdak voor ouderen. Geef ouderen een stem bij de invulling van hun woonwensen, schrijft ouderdomsonderzoeker Joost van Hoof op EW Podium.

Het overdreven geloof in de participatiesamenleving

Al ruim voor de huidige woningnood werden maatschappelijke problemen bezworen met de term participatiesamenleving. Het kabinet-Rutte II zag in participatie een panacee voor de vele uitdagingen die ons land kent. De participatiesamenleving was de dekmantel voor een zich terugtrekkende overheid, met name op het gebied van zorg en welzijn. In haar afscheidsrede als bijzonder hoogleraar Actief Burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam in mei 2014 schetste Evelien Tonkens een beeld van deze samenleving ‘vol actieve burgers waarbij iedereen uit de wereld van beleid je nodig had’. Ook voegde ze eraan toe dat er misvattingen bestaan over de participatiesamenleving, zoals ‘dat we het gezellig samen doen’ en dat ‘er geen kunst aan zou zijn’.

Joost van Hoof (1980, foto), @urbanageing op Twitter, is lector Urban Ageing aan De Haagse Hogeschool en verbonden aan de Wrocław University of Environmental and Life Sciences in Polen. Hij heeft een achtergrond in wonen voor ouderen, studeerde en promoveerde aan de Technische Universiteit Eindhoven en habiliteerde (DSc.) aan Warsaw University of Life Sciences. Hij is tevens toezichthouder en bestuurder op het gebied van vastgoed, wonen, technologie en ouderen.

Dit is een artikel voor EW Podium. Daarop publiceert de redactie van EW elke week diverse artikelen van jonge schrijvers, die vanuit hun eigen onderzoek, expertise of werkervaring willen bijdragen aan het publieke debat.

De term participatiesamenleving heeft ook op het gebied van wonen zijn intrede gedaan. Ouderen moeten steeds langer thuis blijven wonen. Dit werd extra gestimuleerd door het sluiten van verzorgingshuizen, die vroeger een tussenfase vormden tussen het thuis wonen en je intrek nemen in een verpleeghuis.

Langer thuis wonen is trouwens ook wat veruit de meeste ouderen willen – maar een kwart denkt er anders over. Langer thuis betekent voor iedereen wat anders. De een past de woning aan, de ander vraagt om hulp in de huishouding en persoonlijke verzorging. Weer anderen willen verhuizen naar een collectieve woonvorm, zoals blijkt uit het grote succes van initiatieven als een Knarrenhof en een Stichting Thuishuis Woerden. Dit zijn twee innovatieve Nederlandse voorbeelden van groepswonen voor ouderen met een verschillende beurs, die nu in andere plaatsen navolging krijgen. Zulke woonvormen zouden tevens de doorstroom kunnen vergroten waardoor woningen vrijkomen voor gezinnen.

Luisteren naar ouderen om de beste woonvorm te vinden

Ook het recente Coalitieakkoord van VVD, D66, CDA en ChristenUnie geeft speciale aandacht aan de bouw van ouderenwoningen en andere woonvormen, waarbij ‘van mensen zelf ook iets verwacht mag worden’. Deze verwachting doet mij denken aan meer zelf moeten regelen, meer zelf betalen, en minder ondersteuning ontvangen bij het dagelijkse leven. Mogen ouderen misschien zelf een stem hebben bij de invulling van hun woonwensen? En mogen zij misschien zelf een plek aan de vergadertafels hebben waar besluiten over nieuwe woonprojecten worden genomen?

Om te achterhalen hoe ouderen écht willen wonen, zetten ontwikkelaars, woningcorporaties en andere initiatiefnemers van nieuwe woningen zogenaamde participatieve methoden in om in gesprek te gaan met ouderen. Een participatieve aanpak gaat uit van een actieve betrokkenheid van in dit geval een ouder publiek in besluitvormingsprocessen, zowel bij de planning, de invoering als de evaluatie. Met aandacht voor de behoeften van deze toekomstige bewoners ontwerpen de initiatiefnemers samen met ouderen een geschikte nieuwe woonvorm. Het laten participeren van toekomstige bewoners past ook in het wellicht te positieve beeld dat leeft omtrent de nieuwe Omgevingswet die op 1 juli 2022 zal worden ingevoerd.

Socioloog Frans Soeterbroek schetste recent het beeld van gemeentes die volop bezig zijn met het aanpassen van participatiebeleid, waarbij hij zich verbaast over hoe stil het blijft in de wereld van buurt- en wijkdemocratie over de consequenties van de nieuwe Omgevingswet. Participatie zou wel eens te vrijblijvend kunnen gaan worden, waarbij het onduidelijk is wie precies betrokken dient te worden.

Gemeenten met ambities op het vlak van bewonersparticipatie kunnen deze ambities slechts van toepassing laten zijn op de eigen plannen. Initiatiefnemers als ontwikkelaars kunnen hun gang gaan. Sommige mensen zullen denken: ‘Ach, wat maakt het uit, als er maar gebouwd wordt!’ Hierbij kan de bouwopgave voorbijgaan aan de gewenste kwaliteit. Dit staat allemaal haaks op de wensen van mensen voor meer inspraak en zeggenschap, ook bij het ontwerp van toekomstige woningen.

De valkuil van nepparticipatie en schijninbreng

Dit is een van de redenen om te kijken hoe het wel kan. De Haagse Hogeschool heeft samen met onder meer de Hogeschool Leiden en het RIVM onderzoek gedaan naar de participatie van ouderen bij het ontwikkelen van nieuwe woonvormen. Uit gesprekken met ouderen en de initiatiefnemers kwamen diverse manieren naar voren die kunnen worden ingezet om het gesprek met elkaar aan te gaan.

Abonnee worden?Dagelijks op de hoogte blijven van de laatste actualiteiten, achtergronden en commentaren van onze redactie? Bekijk ons aanbod en krijg onbeperkt toegang tot alle digitale artikelen en edities van EW.

Bekijk de mogelijkheden voor een (digitaal) abonnement hier

 

Het goed omschrijven van elkaars rollen en wederzijdse verwachtingen is een belangrijke eerste stap. De inbreng van ouderen kan daadwerkelijk leiden tot betere ontwerpen. Sterker nog, het is extreem belangrijk om ouderen te betrekken met het oog op de fase na de ingebruikname, waarbij men daadwerkelijk met elkaar moet gaan samenwonen. Kleine verschillen bij de start van het inspraakproces kunnen tot grotere conflicten leiden bij de ingebruikname van een gebouw, waarbij overal in Nederland ruzies ontstaan. Gemeenschapszin ontstaat nu eenmaal niet binnen een etmaal. De parallel met ouderenpartijen in de politiek is snel gelegd.

De uitkomsten van het onderzoek gaven ook een beeld van de valkuil van nepparticipatie en schijninbreng. Bij schijninbreng hoort een initiatiefnemer de meningen hooguit aan en stopt ze vervolgens weg, ergens diep in een la. Een niet-oplettende gemeente vindt het prachtig dat er een dialoog is geweest tussen ontwikkelaar en eindgebruikers. Het vinkje van inspraak kan gezet worden bij het vergunningstraject! Niets zo slecht voor draagvlak als een mislukt participatieproject, waarbij een stem die klinkt maar niet wordt gehoord erger is dan het überhaupt niet kunnen uiten van wensen.

Hoe dan verder?

Terugkomend op het coalitieakkoord hoop ik dat het nieuwe kabinet werk maakt van de echte inbreng van ouderen bij hun woonkeuzes, in plaats van dit vraagstuk over te laten aan beleidsmakers en ontwikkelaars. Participatietrajecten in allerlei varianten zijn hierbij een mooi uitgangspunt. Soms is het ophalen van ideeën voldoende, en is volledige zeggenschap en regie helemaal niet wenselijk. Bovendien heeft niet iedereen dezelfde verwachtingen ten aanzien van inspraak, of de benodigde kennis en kunde. Vaak is er maar een kleine groep die actief wil meedoen, en de mensen die wel willen meedoen, hebben niet altijd de vaardigheden of zijn niet representatief voor de groep die zij zeggen te vertegenwoordigen.

Bij grote verschillen in inkomen of gezondheid – zeer relevant bij ouderen – kunnen visies ver uiteenlopen. Veel praten en luisteren is het devies, heel veel soms, en juist naar degenen van wie de mening door toedoen van anderen (vaak theoretisch opgeleiden) ondergesneeuwd raakt. Erger nog is het wegzetten van deelnemers als zij op ongepolijste wijze een maatschappelijk onwelgevallige mening voren brengen. Men vergeet echt te makkelijk dat theoretisch opgeleiden beter in staat zijn wensen te formuleren en in discussies naar voren te brengen.

Een goed participatieproces biedt voldoende ruimte voor mensen van alle rangen en standen om inbreng te leveren, zonder vooroordelen. En ja, in Nederland is dat ook steeds vaker een sessie in een migrantentaal, zeker bij woongroepen voor ouderen met een migratieachtergrond. Onze theoretisch opgeleiden moeten dan niet raar opkijken dat er als tegenbeweging ook een groep autochtone Rotterdammers vraagt om een Hollandse woongroep. Zulke wensen horen er nu eenmaal bij.

Soms moet je flink ouwehoeren om goed te kunnen wonen

Om inspraak in goede banen te leiden, kunnen verschillende werkvormen ruimte bieden aan mensen die verbaal minder sterk zijn, of nog geen concreet beeld hebben van hun eigen wensen en behoeften. Het maken van foto’s van een fijne woonplek, of het bezoeken van referentieprojecten om inspiratie op te doen, kan hierbij de ouderen helpen hun wensen nader te duiden. Een goede begeleiding bij dit alles is belangrijk om het proces in goede banen te leiden, en om de uitkomsten en opbrengsten voor de initiatiefnemer te maximaliseren.

Dit resulteert in een betere kwaliteit van een gebouw, waarbij klantvraag en marktaanbod beter op elkaar aansluiten. Win-win. Participatie zou alleen daarom al nooit een sluitpost in een ontwikkeltraject moeten zijn. Veel met elkaar praten, naar elkaar luisteren en het aangaan van een dialoog met toekomstige bewoners horen erbij. Vrij naar de legendarische woorden van PvdA-politicus Jan Schaefer: ‘In geouwehoer kun je niet wonen.’ Maar soms moet je flink ouwehoeren om uiteindelijk goed te kunnen wonen.