Verhaal van de week

Op zoek naar de geheimen van De Nachtwacht

19 april 2021

Welke mysteries verbergt De Nachtwacht nog, 379 jaar na voltooiing? Hoe legde Rembrandt de verf zijn wil op? Is het schilderij in verval? EW keek exclusief mee bij de ontleding van een meesterwerk.

Diep in De Nachtwacht leeft het. Ook Nederlands meest bezongen schilderij, het werk waaromheen het Rijksmuseum is gebouwd, is vatbaar voor vergankelijkheid. Iedereen die het doek ooit is genaderd via de Eregalerij in het hart van het museum, kent de sensatie. De omvang, het licht-donkereffect, de beweging in de compositie: ze werken als een magneet.

Zoom nog verder in, door het vernis, door de verflaag daaronder en die daaronder, tot op de moleculen in het pigment. Daar voltrekken zich de chemische processen die het doek veranderen – zichtbaar én onzichtbaar. Het lood in het pigment, de olie in de verf en de zwavel in de lucht reageren met elkaar. Langzaam maar zeker degradeert de verf.

 

Kijk maar eens goed naar de wenkbrauwen van de grootste figuur op het doek, kapitein Frans Banninck Cocq. Minuscule vulkaantjes van lood zijn opengebroken, waardoor onderliggend materiaal zichtbaar is als een spoor van zwarte puntjes. Dat is de tijd die zijn werk doet.

En dan zijn er ook nog de littekens. Om die aan te wijzen, nadert de vinger van Robert van Langh (52) de jaspanden van Banninck Cocq. Het is 138.000 dagen geleden dat de kapitein te zien kreeg hoe Rembrandt hem een plek in het hart van de compositie had gegeven. Nu staat Van Langh, hoofd Conservation and Science van het Rijksmuseum, voor het schuttersstuk dat in de loop der eeuwen De Nachtwacht ging heten. Millimeters boven het vernis volgt zijn vinger een verkleuring in het zwart van Banninck Cocqs kleren.

Robert van Langh over Operatie Nachtwacht: ‘Het is nogal wat hè? De wereld kijkt mee’. Foto: Olivier Middendorp

De Nachtwacht heeft in 379 jaren vele plagen doorstaan

De roerige historie van De Nachtwacht

1642 Voltooid door Rembrandt en getoond in Kloveniers­doelen, waar schutters bijeenkwamen

1715 Naar stadhuis (nu Paleis) op Dam, aan alle zijden ingekort

1815 Naar Trippenhuis

1843 Hamer valt door schilderij

1885 Naar Rijksmuseum

1911 Licht beschadigd door aanslag met schoenmakersmes

1939 Wegens oorlogsdreiging naar Kasteel Radboud, Medemblik

1940 Uit lijst, opgerold en opgeborgen in kunstbunker Castricum

1941 Naar Rijkskluis, Heemskerk

1942 Naar kunstkluis Maastricht

1945 Per schip terug naar Rijks

1975 Zwaar beschadigd door aanslag met mes

1990 Vernis beschadigd na aanval met zoutzuur

2019 Operatie Nachtwacht: onderzoek en restauratie

De Nachtwacht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Boven: opgerold tussen andere kunst in mergelgrotten bij Maastricht

‘Als je het eenmaal ziet, kun je het niet meer niet-zien,’ zegt Van Langh over de oneffenheid, een erfenis van de restauratie die volgde op de twaalf messteken waarmee een bezoeker in 1975 het doek toetakelde. De Nachtwacht heeft in 379 jaren vele plagen doorstaan. Het is verknipt, verminkt, opgerold, verborgen, en telkens weer tentoongesteld. Er waren onderweg zeker 25 behandelingen. Ondanks de zorgvuldige handen die ze uitvoerden, lieten die hun sporen na.

Het Rijksmuseum begon in 2019 met Operatie Nachtwacht, de grootste en meest innovatieve restauratie in de geschiedenis van het Rijks. Maar voordat het restauratieteam aan de slag gaat met het bijwerken van het schilderij, wordt het eerst op nanoniveau geanalyseerd. Inzoomen gebeurt tot op de pigmentkorrel.

Deel van het proces was het maken van een superscherpe foto, die bestaat uit 12.500 aan elkaar gesmede beelden: 44 miljard pixels in totaal. Daarnaast trok een defilé van scanners en microscopen langs om de precieze conditie te bepalen. Behalve de noodzaak om vast te stellen hoe het werk eraan toe is, is er de hoop dat het eindelijk zijn diepste geheimen prijsgeeft.

Het onderzoek gebeurt in alle dimensies, dus met scanners die dwars door de verflagen heen kijken. Pièce de résistance is de macro-XRF-scanner, die 56 dagen lang op 1 centimeter afstand baantjes over het doek trok om de verfsamenstelling te ontcijferen. Tot veler verrassing bleek dat Rembrandt koningsgeel op zijn palet had, met daarin het uiterst giftige arseensulfide – een pigment dat eigenlijk vooral werd gebruikt bij stillevens. De vondst is voer voor Rembrandt-vorsers en Gouden Eeuw-deskundigen.

Scalpel in het doek

Het onderzoek in Operatie Nachtwacht is niet-invasief, wat wil zeggen dat het kunstwerk niet wordt aangetast. Er is één uitzondering. Met een scalpel zijn minuscule monsters van de verf genomen. Het mes drong daarbij minder dan een millimeter het doek in, om een stukje van 200 micrometer los te krabben. De monsters worden in een harsblokje gezet, waarna er dwarsdoorsnedes en foto’s kunnen worden gemaakt en ze worden onderzocht onder de microscoop.

En zo zijn er meer vragen over het schilderij, waarover boeken vol staan. Wat beoogde Rembrandt precies? Hoe slaagde hij erin om de impasto’s, de dik aangebrachte verfklodders, zijn wil op te leggen? Wat ging er mis onderweg? Wat ligt verborgen in de donkere vlakken, die zo diep zijn dat ze velen op de abusievelijke gedachte brachten een nachtelijk tafereel te aanschouwen?

Belangrijkste partner in verf- en coatinggigant AkzoNobel

Het onderzoek is een eind op streek, de inzichten winnen aan scherpte. Staand in de tijdelijke glazen ruimte die om De Nachtwacht is gebouwd, verschuift de blik van Van Langh naar rechtsonder. Hij wijst op het grijzige waas boven het hondje, dat schrikt van de trommelaar. Lang is gedacht aan verwering van het vernis, maar scans tonen dat de vlek waarschijnlijk de rozet is op een schoen. Maar aan wiens been zit die schoen? Vermoedelijk hoort het bij sergeant en koopman Rombaut Kemp, die Rembrandt aanvankelijk anders afbeeldde. Of zit het anders, en is een overschilderd personage bezig door de verflagen te dringen?

Oude kunst, nieuwe technieken

Bij het in kaart brengen van De Nachtwacht worden zo’n acht technieken gebruikt, en is de hulp ingeschakeld van universiteiten in binnen- en buitenland. Belangrijke data leverde de macro-röntgenfluorescente scanner (macro-XRF). Daarmee worden chemische elementen in de verf opge­spoord. Verder geeft de macro-XRF informatie over de conditie van het schilderij.

 

Met daglichtfototoestellen, die de oppervlakte van het schilderij vanuit diverse hoeken bekijken, wordt een zeer verfijnde drie­dimensionale kaart van de verf getekend. En om dwarsdoorsnedes van de transparante lagen te maken, wordt optische coherentie-tomografie (OCT) gebruikt. Daarbij is de hulp ingeschakeld van het Amsterdam UMC. De techniek beschijnt de verflagen met infraroodlicht, en de manier waarop dat licht terugkaatst, vertelt de onderzoekers iets over de mate waarin het doordringt in de verf. Dat levert informatie op over de samenstelling van datgene wat zich onder het vernis en de bovenste verflagen bevindt.

Onderzoek moet uitwijzen hoe vernislaag is te verwijderen

Om tot sluitende antwoorden te komen, formeerde het Rijksmuseum een team van restauratoren, conservatoren en natuurwetenschappers, en zocht het samenwerking met universiteiten. De belangrijkste partner werd gevonden in verf- en coatinggigant AkzoNobel, dat met geavanceerde technieken Rembrandts verf probeert te reconstrueren. Thierry Vanlancker (56) is zichtbaar trots. Een waardig project, vindt de Vlaamse CEO van het concern, waarvoor de basis in 1792 werd gelegd. ‘Wij zijn ook een oude meester.’

Vanlancker staat in een zaal vol computerschermen, direct achter De Nachtwacht. Hier zit, wanneer corona dat toelaat, een deel van het 25-koppige team dat zich bezighoudt met het doek aan de andere kant van de muur. De data die de scanners binnenhalen, worden hier verwerkt. Met 3D-techniek maakten de onderzoekers een supergedetailleerde reliëfkaart van het schilderij. En met een speciale techniek zien ze wat zich bevindt onder de bovenste lagen. Zelfs het weefsel daar weer onder kan informatie bevatten, bijvoorbeeld over eerdere restauraties en de oorspronkelijke grootte van het doek.

Hoe voorkwam de schilder dat de verf ging druipen of afbladderde?

Vooral de impasto’s, de dikke pasteuze verf waarmee Rembrandt zijn schilderijen reliëf gaf, houden de experts van AkzoNobel bezig. Hoe voorkwam de schilder dat de verf ging druipen of afbladderde? Het volledig beheersen van de rheologie, of stromingsleer, is nog altijd cruciaal voor de formule van een verf. De coatings van AkzoNobel worden aangebracht in een dikte van pakweg 0,2 millimeter, en zelfs dan moet je op je hoede zijn voor druipgevaar. Rembrandts impasto’s zijn tot tien keer zo dik, en hij hield ze onder controle. De logische grap die rondgaat: Rembrandt deed wat de industrie in het Roergebied daarna vier eeuwen kostte. Taco Dibbits, hoofddirecteur van het Rijksmuseum: ‘Van een afstand versterken de impasto’s de kijkervaring. Maar bekijk je ze van heel dichtbij, dan zie je totale chaos. Schitterend.’

De rheologische kennis die AkzoNobel opdoet dankzij Operatie Nachtwacht, dient ook een commercieel doel. Verf met ‘textuur’, die zorgt voor reliëf op de muur, wordt steeds populairder. Anders dan Rembrandt stopt ­AkzoNobel geen lood of arseen in zijn verf: supergiftig. Integendeel, zegt Vanlancker, er is een voorkeur voor verven die de lucht binnenshuis zuiveren. Vooral in China zijn ze er dol op. ‘In veel steden is de buitenlucht daar sterk vervuild. Ter compensatie zijn Chinezen bezig met de kwaliteit van de lucht in huis.’

AkzoNobel

Het Nederlandse AkzoNobel is een van ’s werelds grootste verf- en lakproducenten, bekend van merken als Flexa en Sikkens. Het werkte al met het Rijks: tijdens de renovatie leverde het 8.000 liter verf. Bij Operatie Nachtwacht is het concern hoofdpartner. CEO Thierry Vanlancker ziet een analogie tussen kunstwerk en firma: ‘In 2016 dreigde de glans van ons bedrijf te verdwijnen en waren we toe aan restauratie. Dit project is een etalage voor ons, maar meer dan dat.’

Hoofddirecteur van het Rijksmuseum Taco Dibbits (links) en Thierry Vanlancker, CEO van AkzoNobel. Foto: Olivier Middendorp

Wekelijks bijeen om nieuwe gegevens door te spreken

Terug naar de Eregalerij. Robert van Langh en zijn team opereren behoedzaam. Het laatste wat je wilt, is een ontdekking de wereld in slingeren die later vals blijkt. De ploeg komt wekelijks bijeen om nieuwe gegevens door te spreken. Wie denkt iets gevonden te hebben, moet ijzersterke argumenten hebben. ‘Het is nogal wat, hè,’ zegt Van Langh. ‘De wereld kijkt mee. De mega­hogeresolutiefoto die we een jaar geleden online zetten, werd 169 miljoen keer bekeken.’

Tussen alle technische kwesties dringt zich een heel andere vraag op. Moet je elk geheim van een schilderij uit 1642 willen ontsluieren? Verdampt dan niet ook iets van de magie? Museumdirecteur Taco Dibbits (53) is stellig. ‘Je moet alles willen weten. Daar heeft het publiek recht op.’ En minstens zo belangrijk: Rembrandt had het fantastisch gevonden. ‘Hij zou helemaal weg zijn van alle nieuwe verfsoorten. Hij was er maar wat graag bij geweest, daar twijfel ik niet aan. Bovendien: we halen niets weg, we voegen juist iets toe.’

Feiten en cijfers Operatie Nachtwacht

Officieren en andere schutters van wijk II in Amsterdam, onder leiding van kapitein Frans Banninck Cocq en luitenant Willem van Ruytenburch, bekend als De Nachtwacht. Het toont de zich opstellende schutters van de wijk tussen Damrak en Singel. De meeste afgebeelde personen betaalden voor hun beeltenis – hoe groter ze werden afgebeeld, hoe hoger het bedrag. Rembrandt verdiende minimaal 1.600 gulden aan De Nachtwacht – naar de huidige maatstaven 20.000 euro.

De Nachtwacht, voltooid in 1642, meet 379,5 bij 453,5 centimeter en weegt 337 kilo (inclusief lijst). In 2019 kondigden het Rijksmuseum en AkzoNobel de grootste restauratie ooit aan. Specialisten van het museum en van universiteiten werken samen met de experts van AkzoNobel. De onderzoeksfase zou tien maanden duren, maar liep uit door corona. Het onderzoek, waarmee 5 miljoen euro is gemoeid, wordt mogelijk gemaakt door AkzoNobel, particulieren, fondsen en partners.

Hij doelt onder meer op het onderzoek dat AkzoNobel verricht naar de donkerste tinten op het schilderij. Daarbij worden de kleuren gedigitaliseerd, zodat er een ‘absolute kleur’ kan worden bepaald, die losstaat van waarnemer en lichtinval. Die kennis zal ook ten goede komen aan de fotografie van oude kunstwerken.

Weet je de ‘absolute kleur’ van een schilderij, dan kun je bijvoorbeeld ook bepalen welk zaallicht optimaal is. Zoiets maakt een groot verschil, zegt Klaas Kruithof (65), AkzoNobels chief technology officer. ‘Vergelijk het met de kleur van een auto na slecht uitgevoerd schadeherstel. ’s Nachts op de Vlaamse snelweg, met die gele natriumlampen, zie je plotseling een heel andere kleur op de plek van de reparatie.’

Zwart digitaliseren is heel moeilijk: het absorbeert bijna alle licht

Onderzoek je donkere tinten, dan heb je aan Rembrandt een goede: zijn zwarten zijn berucht. Zwart digitaliseren is heel moeilijk, zegt Kruithof: het absorbeert bijna alle licht. Het meten van het weinige licht dat eruit terugkomt, gebeurt in een digitale ruis, en daar probeert AkzoNobel iets aan te doen.

Bovendien is het ene zwart het andere niet, benadrukt Robert van Langh. Zijn hand schiet weer over het doek. Van het myste­rieuze namenschild naar de vaandel, naar een verdwenen verentooi en naar Rembrandts signatuur. Structuren en details die pas na goed kijken door het donker dagen. ‘Lampzwart, koolzwart, elk zwart is anders. Kijk maar eens in de open haard, de ochtend nadat je een vuurtje hebt gestookt. Talloze soorten zwart.’

Zoals bij elk groot schilderij ziet de toeschouwer van De Nachtwacht ook iets wat de schilder nooit heeft bedoeld. Zoals de spiegeling van spots, die een deel van De Nachtwacht moeilijk zichtbaar maakt. Dankzij de verfdigitalisatie kunnen we ook daar wat aan doen, zegt Taco Dibbits. Door te sleutelen aan de invalshoek en de samenstelling van het licht dat op het doek valt, past het beeld van de kijker straks perfect op de kleuren in het schilderij. In de lampen wordt gecorrigeerd voor de verfdegradatie. Dibbits: ‘Ik had het nooit voor mogelijk gehouden, maar we kunnen de zichtbaarheid van de veroudering compenseren door ander licht te gebruiken.’

Rembrandt de grote verfmenger

De in Leiden geboren molenaarszoon Rembrandt van Rijn (1606-1669) had een uitzonderlijke beheersing van de materialen waarmee hij zijn verf maakte. Schilders waren tot in de negentiende eeuw ernstig beperkt in de beschikbare pigmenten. Kennis van de chemie was begrensd en pigmenten waren kostbaar. Rembrandt gebruikte er tien à twaalf, die hij wist te mengen tot zo’n honderdtwintig tinten verf.

Zelfportret met twee cirkels (circa 1665-1669). Rembrandt had uitzonderlijke materiaalkennis. Foto: Jonathan Bailey

Bekend is zijn gebruik van loodwit, dat vanwege zijn giftigheid al lang uit de gratie is. Inmiddels weten we ook dat hij het beruchte koningsgeel op zijn palet had, waar onder meer arseen in zit, en waarmee hij okertinten verlevendigde. Zijn (vermiljoen)rood haalde Rembrandt uit kwiksulfide, en zijn blauwe verf maakte hij van smalt, dat werd geproduceerd door kwarts te versmelten met geroosterde kobalterts.

 

Ook karmijnrood gebruikte Rembrandt graag, onder meer om paarse tinten te maken of om donkere kleuren tot leven te brengen. Een ander pigment kwam uit het hout van de Brazielboom dat door gevangenen in de Amsterdamse Rasphuis tot pigment werd geraspt.

 

Evenals de door hem bewonderde Titiaan (circa 1488-1576) maakte Rembrandt gebruik van impasto’s. De dik aangebrachte verf zorgde voor extra dynamiek, en voor een spel van licht en schaduw.

17 vierkante meter waarin nog steeds van alles valt te ontdekken

Dan draait Van Langh aan een paar wielen op een paneel. De Nachtwacht, 3,8 bij 4,5 meter, komt in beweging, komt zelfs van de muur af. Even wordt een blik op de achterkant van het meesterwerk gegund. Van Langh is ­gelouterd restaurator en natuurwetenschapper, en al vijftien jaar afdelingshoofd, maar elke confrontatie met dit schilderij is bijzonder.

De Nachtwacht is groot, oud en mysterieus: 17 vierkante meter waarin nog steeds van alles valt te ontdekken. Bijvoorbeeld voor wie in de gelegenheid is om zijn ogen tot heel dicht bij het kant in de jas van Willem van Ruytenburch te brengen. Draai je hoofd een paar graden, en de kleren van de luitenant glimmen totaal anders. Nog dichterbij, en de verf wordt een landschap. Dwars door de vier eeuwen die verstreken sinds de meester het schiep, nadert het de aanschouwer evenzeer als andersom. Het leeft.