Leo Kwarten

Iran eert zijn martelaren ook ondergronds

12 januari 2021

Martelaren spelen een grote rol in de Iraanse cultuur. Dat ze overal worden geëerd, ondervond Leo Kwarten tijdens een metrorit door de hoofdstad Teheran.

In Teheran you’ll never walk alone. Dat betreft niet alleen de 8,7 miljoen inwoners van de Iraanse hoofdstad, een van de drukste metropolen ter wereld, maar ook de martelaren die hun leven gaven voor de revolutie. Vanaf muren en aanplakborden staart een leger van ingetredenen in het paradijs de passanten zwijgend aan: gebrilde geestelijken, pubers met vlasbaardjes, een enkele vrouw. Sommige portretten zijn vers: zij vielen in Syrië of Irak. Andere zijn vergeeld: zij stierven 35 jaar geleden in een mijnenveld of bij een bomaanslag. Maar vergeten worden ze nooit in de Islamitische Republiek.

Leo Kwarten (1957) is arabist en antropoloog. Als zelfstandig gevestigd adviseur werkt hij voor bedrijven die opereren in het Midden-Oosten. Daarnaast publiceert hij over politiek en religie in de regio.

De martelaren worden ook ondergronds geëerd. Teheran heeft de grootste metro van het Midden-Oosten. Elke dag passeren drie miljoen Tehrani’s stations die vernoemd zijn naar bekende shohada (martelaren). Op zich is dat niet zo bijzonder. De meeste Iraniërs zijn sjiieten, een minderheid in de islam die lang vervolgd is geweest en traditioneel zijn martelaren koestert als slachtoffers van onrecht. Wel bijzonder is de cultus die na de revolutie van 1979 is ontstaan, waarbij het regime elke gevallen loyalist, of die nu commandant, ayatollah of kernfysicus was, presenteert als een martelaar voor God.

Alleen voor vrouwen

Dat valt het beste te illustreren aan de hand van een rit op metrolijn 1. We beginnen in Tajrish, een wijk in Noord-Teheran. Tegen de achtergrond van de besneeuwde top van de berg Damavand bevindt zich hier een van drukste verkeersknooppunten van de stad. Onder de goedkeurende blik van de Opperste Leider daal ik van de mierenhoop van gele taxi’s, bazarbezoekers en fastfoodtentjes af in de ultramoderne metro richting Imam Khomeini Plein. Op de roltrap passeer ik posters waarop een met de Iraanse vlag beklede trap ten hemel voert. ‘Het pad van de martelaren’, staat er.

Op de voorste rijtuigen van de trein staat: ‘Alleen voor vrouwen.’ Dat is niet verplicht. Vrouwen mogen ook in gemengde rijtuigen reizen en sommige doen dat ook. Via ruitstickers worden de heren echter gewaarschuwd hen niet lastig te vallen. De trein zet koers naar station Martelaar Sadr. Dat verwijst naar de Iraakse ayatollah Mohammad Baqir Al-Sadr, een aanhanger van Khomeini. In 1980 werd hij samen met zijn zus vermoord in de kerkers van Saddam Hussein. Nadat Sadrs zwaar gefolterde lichaam aan zijn familie was overgedragen, bleek dat er een spijker in zijn hoofd was geslagen.

Martelarenstations

Even later stapt een langharige tiener in. Zodra de trein zich in beweging zet, loopt hij snel langs de zittende passagiers, terwijl hij in het voorbijgaan een pakje kauwgom op hun knie legt. Wie niet wil, doet net alsof dat pakje er niet ligt. Een enkeling verruilt het voor een briefje van 50.000 riyal. De tiener stapt uit bij Dr Shariati. Dat is vernoemd naar een belangrijke ideoloog van de revolutie. Ali Shariati was een vat vol tegenstellingen: seculier, roker, Sartre-adept en bedenker van een soort marxistisch sjiisme. Hij stierf al in 1977, zodat hij nooit heeft gezien hoe de ayatollahs met zijn ideeën aan de haal gingen.

Nu volgen de martelarenstations elkaar in snel tempo op. Martelaar Hemmat, een revolutionair gardist die op 28-jarige leeftijd sneuvelde aan het Iraakse front. Dan Martelaar Beheshti, ooit de tweede man na Khomeini. Op 28 juni 1981 kwamen hij en 72 andere revolutionairen om bij een aanslag op het hoofdkwartier van de Islamitische Republikeinse Partij. De wraak kwam 34 jaar later. Op 15 december 2015 werd een elektricien van Iraanse afkomst voor zijn huis in Almere doodgeschoten. Hij bleek de bommenlegger te zijn geweest, die zich al die jaren in Nederland onder een valse naam verborgen had gehouden.

Terwijl de metro de locatie van de aanslag passeert, station Martelaren van Haftom-e Tir, valt het me ineens op. Opmerkelijk veel jonge passagiers, vooral vrouwen, dragen een pleister op hun neus. Nose jobs zijn populair in Iran, al kosten ze minstens 1.500 euro. Het is ook een statussymbool. Iedereen mag – nou, misschien wel móet – laten zien dat men bij de neuzenfixer is geweest. Vandaar die pleister, zelfs als de wond al lang genezen lijkt.

In een van de cellen kom ik de Opperste Leider weer tegen

Oei, we zijn al gestopt bij het Imam Khomeini Plein. Ik haast me de trein uit, de roltrap op en volg de bordjes Iran Ebrat. Dat is een voormalige gevangenis van de SAVAK, de geheime dienst van de sjah. Tegenwoordig is het een museum. Een voormalige gedetineerde – een getekende zestiger – leidt de bezoekers rond.

Dit is geen plaats voor weekhartigen. De folterkamers worden bemand door realistische wassen beelden. De brute ondervragers hebben flessen Johnnie Walker op hun bureau staan en dragen onwerkelijk grote stropdassen: gehate symbolen uit de tijd van de pro-westerse sjah. De gevangenen worden onderworpen aan zweepslagen, verdrinking en bastinado (slaan op de voetzolen). In een van de cellen kom ik de Opperste Leider weer tegen, nu als wassen beeld. Hij en vele revolutionairen van het eerste uur zaten hier ooit gevangen.

Ik vraag me af hoe de Iraanse bezoekers tegen deze aanklacht aankijken. De mensenrechtensituatie in Iran is sinds de sjah niet verbeterd. De ayatollahs zouden toch moeten weten hoe je de martelaren voor een volgende revolutie kweekt.

Ingelogde abonnees van EWmagazine kunnen reageren
Bij het plaatsen van een reactie geldt een aantal voorwaarden. Klik hier voor de voorwaarden.